Verkeersvliegers zijn soms net aspergestekers

In ten minste één aspect lijken de verkeersvliegers van de KLM op de (potentiële) aspergestekers in het zuiden des lands. Beide groeperingen hebben namelijk besloten om (tijdelijk) werk te weigeren met als één van de redenen dat ze te weinig betaald krijgen. Nu zit de pijn niet zo zeer in het brutoloon dat ze ontvangen, als wel wat daar netto aan het eind van de maand van op de bankrekening wordt gestort.

Het brutoloon kan in beide gevallen de internationale toets wel aan, bijvoorbeeld in vergelijking met Poolse aspergestekers of de verkeersvliegers van Lufthansa of British Airways. Het nettoloon is echter lager dan dat van de Duitse verkeersvlieger, of in het geval van de aspergesteker te laag in vergelijking met een uitkering om geprikkeld te worden aan het werk te gaan. Om het werk wel aantrekkelijk te maken moeten de nettolonen, en dus de brutolonen omhoog. Hierdoor worden echter de loonkosten voor de werkgevers te hoog om in een internationale markt te concurreren. Zie hier in een notedop, en sterk vereenvoudigd, het dilemma waar verkeersvliegers, aspergestekers en hun werkgevers voor staan.

Dit dilemma wordt veroorzaakt door de hoge kosten van arbeid in Nederland. Als we twee arbeiders in twee landen met elkaar vergelijken, dan wordt het verschil in arbeidskosten, bij gelijke nettolonen en arbeidsproduktiviteit, veroorzaakt door het verschil tussen de bruto- en de nettolonen, ook wel aangeduid met de 'wig'. Deze wig is opgebouwd uit de belastingen en premies die werkgever en werknemer afdragen aan de staat der Nederlanden over het loon. Hoe hoger de wig, hoe hoger de arbeidskosten. Dat hoge arbeidskosten zorgen voor absurde situaties op de arbeidsmarkt illustreren beide bovenstaande arbeidsgroepen, in veel opzichten extremen van elkaar, treffend. Verkeersvliegers behoren in Nederland tot de best betaalde arbeidskrachten in loondienst. Het salaris van een gezagvoerder op een Boeing 747 kan oplopen tot 3,5 ton bruto per jaar, ruwweg twee keer zoveel als wat een minister voor zijn of haar bewezen diensten mee naar huis neemt. Toch besluiten dit soort goedbetaalde arbeidskrachten te gaan staken met als één van de argumenten dat zij netto minder verdienen dan hun collega's bij Lufthansa.

Bij aspergestekers is de situatie al even vreemd. Aan de ene kant is er voldoende aanbod van werk, en dus geld om Nederlands bruto nationaal produkt (BNP) te verhogen. Aan de andere kant is er voldoende aanbod van arbeid, in de vorm van laaggeschoolde werklozen, die dit relatief eenvoudige werk kunnen doen. Toch moet de overheid deze werklozen premies betalen om het werk te aanvaarden, met dan nog de grote kans dat er geen werkwilligen zijn. Hierdoor wordt alsnog een beroep gedaan op Poolse arbeiders: een vernietiging van een mogelijke verhoging van ons BNP.

Dat in de huidige globalisering van de economie lage arbeidskosten positief zijn voor werkgelegenheidsontwikkeling wordt onderschreven door de meeste politieke richtingen. Lage arbeidskosten maken het voor werkgevers goedkoper, en dus aantrekkelijker, om werkgelegenheid in Nederland te creëren, zeker als de arbeidskosten vergelijkbaar zijn met, of lager zijn dan die van alternatieve vestigingslanden.

Ook voor werknemers zijn lage arbeidskosten gunstig omdat ze netto meer kunnen overhouden van hun brutoloon. Hierdoor kan de werkloze geprikkeld worden om aan de slag te gaan, of de goed opgeleide mobiele werknemer geprikkeld worden werk in Nederland aan te nemen. Meer mensen aan de slag betekent minder werkloosheidsuitkeringen en dus minder uitgaven voor de overheid. Deze financiële ruimte kan gebruikt worden om de verlaging van premies en belastingen, nodig voor het verlagen van de arbeidskosten, te betalen. De operatie kan dus voor de overheid budgettair neutraal verlopen.

Tot zover deze sterk vereenvoudigde redenering, die ook door het kabinet-Kok wordt ondersteund. Dit blijkt uit de majeure lastenverlichtingsoperatie die het kabinet in zijn regeerakkoord heeft aangekondigd en waaraan nu de eerste invulling wordt gegeven. Tot 1998 wordt een ruimte van 9 miljard gulden gecreëerd voor lastenverlichtingen. Op zich is dit een prima voornemen. De vraag is echter hoe dit wordt ingevuld. Daarbij spelen de volgende twee aspecten een belangrijke rol. Ten eerste is het de vraag aan wie de lastenverlichting direct ten goede moet komen; de werkgever of de werknemer? Het recente besluit van het kabinet om werkgevers een extra belastingaftrek per werknemer te geven is een voorbeeld van een lastenverlichting die in zijn geheel bij de werkgever terecht komt. De vraag is echter of de werkgever dit financiële voordeel gaat aanwenden voor de creatie van nieuwe werkgelegenheid. Hij kan het ook gebruiken voor de aanschaf van nieuwe machines of misschien gewoon toevoegen aan zijn winst? Het is dus lang niet zeker of er met deze lastenverlichting werkelijk werk wordt gecreëerd. Lastenverlichting voor de werknemer daarentegen prikkelt zowel de werkloze om weer aan de slag te gaan als de werkgever om de goedkopere arbeidskracht in dienst te nemen. Deze route moet dus bij voorkeur gevolgd worden.

Een tweede belangrijk aspect bij lastenverlichting is de vraag bij welke groepen werknemers de lastenverlichting terecht komt; bij de laagst betaalde of bij elke werknemer? Aangezien de werkloosheid bij laagopgeleiden het hoogst is, bestaat de verleiding om de lastenverlichting met name ten goede te laten komen aan de 'onderkant van het loongebouw'. Minister Melkert (sociale zaken en werkgelegenheid) laat dan ook geen gelegenheid voorbij gaan om deze aanpak te prediken. De verkeersvliegers van de KLM tonen aan dat dit een misrekening is. Hoge arbeidskosten verstoren de arbeidsmarkt voor zowel laagbetaalden als hoogbetaalden, zeker als ze sterk verschillen van de situatie in met Nederland concurrerende landen.

Het recente pleidooi van de VVD-Tweede-Kamerfractie om het toptarief in de loon- en inkomstenbelasting te verlagen van 60 naar 50 procent (in navolging van de oorspronkelijk in het regeerakkoord aangekondigde maatregelen op het gebied van de verlenging van de 'tweede schijf' en de verlaging van het tarief in de 'eerste schijf') zorgt ervoor dat aan beide bovengenoemde aspecten wordt voldaan. Ten eerste komt de lastenverlichting bij de werknemer terecht en ten tweede worden de arbeidskosten over de volle breedte van het loongebouw meer in lijn gebracht met die van de landen waar Nederland mee moet concurreren als het gaat om het scheppen van werkgelegenheid. Zowel de verkeersvlieger, de aspergesteker als hun werkgevers worden hierdoor geprikkeld in het respectievelijk aanvaarden en creëren van werk.

Lastenverlichting is een prima maatregel om de arbeidskosten te verlagen en de Nederlandse concurrentiepositie veilig te stellen en waar mogelijk te verbeteren. Het waarborgen dat lastenverlichting ècht resulteert in de creatie van werkgelegenheid is echter van eminent belang. Indien lastenverlichting goed wordt toegepast kan tot in lengte van jaren op grote hoogte genoten worden van het witte goud, waarbij zowel het blauwe vervoermiddel als de asperge tijdens de lunch hebben bijgedragen aan de creatie van Nederlandse werkgelegenheid.