Vanzelf Natuur (5)

Veertien hectare boerenland langs de Waal in de Millingerwaard werden in 1993 teruggegeven aan de natuur. Wat zijn de gevolgen? Het vijfde halfjaarlijkse verslag, dit keer met de visie van vegetatiekundige dr. Karle Sykora.

Een van de monumentale wilgen van een groepje aan de rand van de akker is ingestort. Het was al een opmerkelijke boom; bijna iedere hoofdtak was geknakt onder zijn eigen gewicht. Wat er ditmaal precies bezweken is, is niet eens meer te zien. Het lijkt of een reusachtige voet de boom heeft platgetrapt. Het gespleten en geknakte hout produceert nog onverstoorbaar nieuwe loten. Wilgen zijn niet dood te krijgen. Elders in de Millingerwaard is een omgevallen wilg te bewonderen die zijn leven heeft voortgezet als drie wilgen: drie takken die ieder voor zichzelf zijn begonnen en alweer tot potige bomen zijn uitgegroeid.

Het kwam niet eens door de overstroming, van die wilg. Het gebeurde zomaar, kort voordat alles onderliep. De vloed zelf heeft natuurlijk ook gevolgen gehad. Zo is de kloeke boomstam die bij de vorige overstroming aangespoelde op de verhoging in het meest noordelijke stuk maisakker spoorloos verdwenen. Net als de vorige keer is overal een vette, voedselrijke sliblaag afgezet. En de rivier bracht weer zand landinwaarts. Het water heeft gevreten aan de wal die onze akkers scheidt van het duin langs de rivieroever. Overal schemert zand tussen de begroeiing; zeker dertig meter weiland en akker is er al mee toegedekt. Een deel van de weg op de wal zelf is zandverstuiving geworden. Op zand heeft slib geen vat. Het slib verdwijnt dan snel en er groeien bijna geen distels. Duinriet des te meer.

'Als ik hier loop zou ik haast denken dat het minder erg wordt dan vorig jaar,' zegt dr. Karle Sykora, vegetatiekundige aan de Landbouwuniversiteit Wageningen, als we het zuidelijke deel van het terrein binnenlopen, het vroegere weiland. Hij doelt op de distelgroei, maar al snel moet hij zijn mening herzien. 'Nee, dit is een lager, natter stuk waar de distels het minder goed doen. Die kant op wordt het al erger. Wist u trouwens dat er vorig jaar een schimmelziekte onder de distels is geconstateerd?'

Sykora is verbonden aan de vakgroep Terrestrische Oecologie en Natuurbeheer en begeleidt een inventarisatie van de begroeiing van 'onze' 14 hectare plus het duin direct langs de Waal. Het eerste onderzoek leverde een kaart op die onderscheid aanbrengt tussen maar liefst 33 vegetatietypen. De diversiteit pal aan de rivieroever is het grootst. Daar bestaat de bodem uit zand, voedselarm en voortdurend in beweging, zodat bijzondere plantesoorten kunnen gedijen. De stukken die tot 1993 onder agrarisch beheer stonden, zijn onthutsend monotoon - er is geen onderzoek nodig om dat vast te stellen.

Wetenschappelijk heet de plantengroei op het voormalige weiland 'Gemeenschap van Vossestaart en Timoteegras' en die op de maisakkers 'Gemeenschap van Akkerdistel en Akkerkers'. Op de kaart van Sykora is te zien dat er enige botanische verscheidenheid is te vinden waar een weg of een dijk loopt, of waar vroeger een hek stond. Daar zijn hellingen, paden, veranderingen van grondsoort en dergelijke die de monotonie doorbreken. Verder is er aan de westelijke rand al iets zichtbaar van de invloed van het zand dat de rivier deponeert. Daar staat Kaardebol, Knolribzaad, Barbarakruid, Knikkende distel, Teunisbloem en Ooievaarsbekje. Een bijzonder mooi plekje is ontstaan aan de van de rivier afgekeerde kant van de tweede maisakker. Voor het tweede achtereenvolgende jaar blijft daar een verdieping in het land langdurig vol water staan. De begroeiing eromheen blijft door zuurstofgebrek laag, er staan wat bomen, er kwaken kikkers en soms kun je er zwanen signaleren.

Ruigtesoorten

Desondanks domineren de ruigtesoorten: in het weilandje zijn dat, behalve die waarnaar de 'gemeenschap' is genoemd, Akkerdistel, Brandnetel, Paardebloem, Ridderzuring en dergelijke. Op de maisakkers Kruipende boterbloem, Hondsdraf, Cypreswolfsmelk en natuurlijk weer de Brandnetel. Sykora: 'Dit blijft voedselrijk doordat er steeds slib gedeponeerd zal worden. Op zichzelf is zoiets in de buurt van een rivier heel natuurlijk. Daar is ook niets tegen. Maar je hebt geen natuurontwikkeling nodig om dit te krijgen en of je de achteruitgang van de Nederlandse flora ermee remt is een heel andere vraag. Het mooiste zou zijn als je een verloop zou krijgen van zandige naar kleiïge vegetatie, en van sterk begraasd naar niet begraasd. Of het vanzelf ooit iets bijzonders wordt weet ik niet.'

Hij koerst af op een ruim twee meter hoog, eenzaam groeisel dicht bij de dijk, ongeveer op de grens tussen het weiland en het eerste stuk maisakker en vraagt zich af wie daar een boompje heeft geplant. Het blijkt een vlier te zijn, en bij nadere studie wijst niets op plantersactiviteiten. Het boompje moet hier al jaren staan, door niemand opgemerkt behalve door de Koniks en de runderen. Het heeft een stevige stam, met volop gras aan de voet en de gedaante van een stokroos. Het lijkt er zowaar op dat de grazers eraan geknaagd hebben, hoewel ze voor vlier toch hun neus horen op te trekken. Twee weken na deze ontdekking is er van de vlier alleen een kale dode paal over. De paarden hebben er een krabinstrument in gevonden.

Eind 1993 stonden er talrijke vlieren op een laag gelegen stuk langs de noordelijk rand van het terrein. Door twee overstromingen en een distelexplosie is anderhalf jaar lang niets van vlieren vernomen. Nu blijken er vele tientallen te staan, juist op verhoogde delen, bijvoorbeeld de heuvel op de noordelijke, derde maisakker waar voorheen een spoordijk liep richting steenfabriek. Vlieren houden niet van blank staan. De meeste komen (nog) net boven de andere planten uit; je ziet ze het mooist als je even hurkt en horizontaal voor je uit kijkt. Met een hoogte van een halve tot een hele meter zijn het waarschijnlijk zaailingen van vorig jaar. Een enkele benadert de twee meter. Als het water niet al te wild tekeer gaat kunnen die de komende jaren het landschap een ander aanzien geven. Uit bijna alle vlierstruiken is de top gevreten. We hebben hier kennelijk een zeldzame populatie vlierminnende grazers.

Behalve de wilgen en meidoorns die er al stonden toen hier nog mais werd verbouwd, is nergens ander geboomte te bekennen. Het onderzoek dat Sykora leidt onderscheidt één vegetatietype waarin de Zwarte populier thuishoort; dat is vooral te vinden in de eerste en tweede maisakker. Maar vertegenwoordigers van deze soort zijn er niet. 'En ik hoop dat ze er niet komen ook,' zegt Sykora, die meer op heeft met graslandvegetatie. De inventarisatie zal langs bepaalde banen door het gebied ('transecten') jaarlijks worden herhaald. Het is de bedoeling dat eens in de vijf jaar de hele oppervlakte wordt geïnspecteerd.

Tevreden

Terwijl Sykora de gebeurtenissen met enige reserve beziet, is Johan Bekhuis bijzonder tevreden. Hij is beheerder van de Millingerwaard voor de Stichting Ark, waaraan het Wereld Natuur Fonds de zorg voor het gebied heeft toevertrouwd. Hij let onder andere op het welzijn van de grote grazers, maar is vooral enthousiast in zijn hoedanigheid van vogelaar. 'Je ziet de ontwikkeling van het gebied weerspiegeld in de vogelstand,' zegt hij. 'Twee jaar geleden was het een kale akker en hadden we vooral kieviten: zeventien paar. Daar zijn er nu twee van over. Nu komen er steeds meer exemplaren van soorten die structuur in het landschap nodig hebben. Grasmussen bijvoorbeeld. Je ziet ze zitten in de kale uitstekende stengels van brandnetels of distels van vorig jaar. En in de vlieren die hier opkomen voelen ze zich ook prima thuis. Overal hoor je ze knarsen. Vorig jaar hadden we veertien paren grasmussen, nu heb ik er op één dag als 23 geteld.'

Plantengroei trekt insekten aan, produceert zaad en geeft schuilgelegenheid. Niet alleen de grasmussen nemen in aantal toe, ook bijvoorbeeld de Wilde eend, die sinds 1993 van één naar drie en nu naar zeven paren is gegaan. De Wilde eend nestelt in tweedehands konijneholen. De graspieper ging van één naar twee naar nu vier en Bekhuis verwacht dat er dit jaar nog een paar bij komen. Dat geldt ook voor de Bosrietzanger, die in 1993 met vijf paren wasvertegenwoordigd en vorig jaar met 25. Ook de aantallen van de Rietgors, de Veldleeuwerik, de Gele kwikstaart, de Krakeend en de Grauwe gans (rond het laag gelegen poeltje) stijgen. Behalve de Kievit is alleen de Patrijs in aantal achteruit gegaan 'want die heeft de pest aan hoog water,' aldus Bekhuis.

'Als het struikgewas toeneemt dan komen er ook merels, houtduiven, tuinfluiters, noem maar op. Uiteindelijk krijg je dan een soort parkvogelgemeenschap. Het hangt er van af hoe dicht het struikgewas wordt en of er bomen in komen. In de bomen hier omheen heb je ook een vink en een braamsluiper. Dus na de ruigtesoorten en de struikensoorten zou je de bomenbroeders kunnen krijgen. Zo volgt dat elkaar op. Mensen die deze vlakte zien, denken dat wij dit natuur noemen en dat dat nooit zal veranderen. Maar het is geen jaar hetzelfde, over tien jaar heb je weer een heel ander beeld.'