STASI-MENTALITEIT

'Natúúrlijk geloofden we er allemaal in. Maar langzamerhand werd duidelijk dat de ellende alleen maar groter werd. Meer bemoeizucht, controle, onvrijheid, terwijl het steeds maar slechter ging.

Toch wordt het spoedig veel beter, riepen die lieden, maar ze moesten het hoe langer hoe harder schreeuwen. Ze meenden het op zich goed, maar werden blind voor het falen van het systeem. En, hun eigen belangen lagen natuurlijk bij strikte handhaving van het bestaande'. Met twee sprongetjes over de in razend tempo nieuw aangelegde tramrails van de Prenzlauer Promenade staken we over, richting Akademiegebouw. Mijn gesprekspartner was een wetenschapsbeoefenaar van de zojuist voormalig geworden DDR. 'Die lieden', waren collega's en chefs die lid waren van de Stasi. Een paar jaar geleden, meteen na die Wende, vroeg de (West-)Duitse overheid mij zitting te nemen in een sobere commissie die 'schoon schip' moest maken met de wetenschapsbeoefening binnen de ex-DDR Akademie der Wissenschaften. Wat was de kwaliteit van het werk, en, sterk daarmee samenhangend, hoe erg was het gesteld met de rol van de Stasi. Een paar maanden heeft het karwei geduurd, en de opgedane impressies zijn me nog zo helder als de dag van gisteren. 'Ze kwamen wel eens langs', vervolgde mijn gesprekspartner enigszings opfleurend toen er een nieuw tramstel aangereden kwam, achter een volkomen verveloze en verroeste Oost-Berlijnse tram, 'ze kwamen langs en zeiden dat je het goed deed. Blij was je dan als een kind. Kennelijk betekende iets nieuws van kwaliteit tóch nog wat. Zelfs in een systeem dat tegen beter weten in, en daarom steeds fanatieker, de gevestigde belangen moest beschermen. Misschien zou ik de volgende week ruimere mogelijkheden krijgen om in buitenlandse tijdschriften te kunnen publiceren. Maar toen, de volgende dag, was er die mededeling. Ich gehörte nicht mehr zum Kader. Afgelopen was het dan. Niks meer publiceren, niks meer reizen. Wat er gebeurd was, de Goede God mag het weten. Je hoorde niet meer tot de kern. En dat wist vervolgens iedereen'. Enige jaren later. 1995. Vier weken geleden. Ik schrijf mijn vorige column over een Nederlandse faculteit. Geen naam van universiteit of faculteit, geen naam van enige discipline. Dat is ook niet belangrijk. Het gaat ook over een systeem en mensen in dat systeem die anderen, collega-wetenschapsbeoefenaren van de ene op de andere dag als niet behorende tot de kern definiëren en deze mare in hun volksrepubliek verkondigen. Een Stasi-mentaliteit noemde ik het in mijn column. Een faculteit herkent zich, en is in rep en roer. Eerst mijn preambule. Nogal wat lieden van Nederlandse politieke partijen ter linkerzijde hebben in het verleden bijna wenend van ontroering de voormalige DDR aanschouwd, als model-republiek van en voor het volk. Daar hoorde toen, laten we wel wezen, de Stasi al volop bij. Veel van deze wereldverbeteraars (wie twijfelt er aan hun goede hart?) waren en zijn ook altijd voorstanders van het Nederlandse universitaire volksbestuur geweest. Dus waarom zo'n ophef over Stasi?

Nu mijn hoofdmoot. Het zal intussen iedereen duidelijk zijn. Bij recente gebeurtenissen in een mij bekende universitaire werksituatie hebben zich sterke vergelijkingen opdrongen met de eerder genoemde ervaringen in de voormalige DDR. Wat toen frappeerde was dat niet alleen die éne wetenschapsbeoefenaar maar velen - zelfs nu nog - de op zich goede bedoelingen van het 'systeem' (vaak inclusief de Stasi) onderschreven. Maar tegelijkertijd gaven zij aan hoezeer zij langzaam maar zeker ten onder gingen in een steeds verslechterend klimaat waarbij ze van de ene op de andere dag tot perifeer verklaard werden, ondanks aantoonbare kwaliteit. In dit land heerst nog steeds vrijheid van meningsuiting om bovenstaande vergelijking, op basis van eigen ervaringen, te maken. Het gaat daarbij om de ontaarding van op zich goedbedoelde systemen. En om de positie die mensen in zulke systemen kunnen, willen of moeten innemen. Zeker als columnist moet ik analogieën die mij frapperen - hoe raar of somtijds onaangenaam dan ook - kunnen melden. Bovendien is een column een presentatie waarbij aanscherping en forsere inkleuring horen. Men leze Mr Asscher's opiniestuk in de NRC van jongstleden zaterdag. Ook uit de reacties die ik op mijn gewraakte column ontving, bleek duidelijk dat de meesten het algemene karakter van mijn boodschap ten aanzien van de universitaire structuur begrepen en deelden. Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat het algemene exemplarisch is gemaakt aan de hand van een doelgerichte, specifieke keuze. Daardoor is herkenning mogelijk. En kunnen personen zich door mijn column gekwetst voelen. Dat spijt mij. De Stasi had natuurlijk ook nog heel wat andere streken die hier absoluut niet in analogie doorgaan. Niemand is persoonlijk tot Stasi-figuur gekwalificeerd. Dat is op geen enkele wijze bedoeld. Mocht die indruk zijn ontstaan, dan hoop ik dat met het bovenstaande te kunnen wegnemen.

Ook in een open democratische samenleving als de onze kan, ondanks alle goede bedoelingen, een cultuur en bijbehorend geestelijk klimaat vervallen tot een systeem waarin alleen de gevestigde orde en bestaande belangen, en het van daaruit planmatige denken, een veilig bestaan hebben. De middelmaat bepaalt dan het stelsel van normen en waarden. Vernieuwing of andere gekkigheid, zeker als het van kwaliteit is en gevestigde belangen en 'zekerheden' im Frage stellt, worden niet meer toegestaan, hoogstens is er ruimte in het verborgene. Voor wetenschapsbeoefening en de vitaliteit van onze universiteiten is dat een rampzalig perspectief. In een tijd van moordende bezuinigingen, desinteresse van politici en een teruglopend maar nog steeds groot aantal studenten, wordt het belang van de gevestigde orde gedomineerd door onderwijsbelangen. Zo er al sprake is van ideeën over een nieuwe universitaire structuur, lijken die vooral geënt op het basale academische onderwijs. En dat vraagt, in deze tijd, om strakke structuren met weinig versnippering. Wetenschapsbeoefening en hoger, echt wetenschappelijk onderwijs, vergen precies het omgekeerde. Ook al proberen beleidsmakers u van alles wijs te maken, wetenschap is en blijft een eilandenrijk, zij het - natuurlijk - met vele meer of minder sterke connecties tussen die eilanden. Als een planbureau van welke aard dan ook zo'n structuur tracht te forceren tot 'meer samenhang' dan gaat het - vroeg of laat - ten koste van de kwaliteit. Empirisch onderzoek laat zien dat de structuur van de wetenschap ook in wiskundige zin sprekend lijkt op de structuur van een echt eilandenrijk. Het met enig geweld willen onderbrengen van kleinschalig onderzoek in grote gehelen, het afdwingen van zwaartepunten, kerngebieden en 'programmatische coördinatie' is even zinloos als het schrijven van een brief naar Onze Lieve Heer waarin Hij verzocht wordt vanaf nu alleen nog maar wolken van één bepaald type en van één vaste omvang te leveren. De middelmaat heeft een gruwelijke hekel aan uitschieters. Alles van kwaliteit is dus kwetsbaar. Als wij er in dit land mee doorgaan kwalitatief hoogstaand onderzoek vogelvrij te verklaren, dan zullen top-onderzoekers het academische klimaat als steeds slechter ervaren en hun toekomst elders zoeken.

Voor jonge, talentvolle mensen zijn de kansen al miserabel. En dat terwijl er voldoende plaats voor ze zou zijn, als dor hout nog verder gekapt wordt. Een krachtig bestuur durft te kiezen voor het nieuwe, grensoverschrijdende. Dat kan alleen als zo'n bestuur voor in ieder geval het grootste deel bestaat uit diegenen die aangesteld zijn en door de belastingbetaler gefinancierd worden om academisch leiderschap uit te oefenen. Een faculteitsbestuur van vijf personen van wie slechts één professor is, acht ik dus volstrekt ongewenst. Maar dat is een bewering die te maken heeft met de Nederlandse universitaire structuur! Betekent zo'n bewering dat diegenen die niet-hoogleraar zijn en toch in een faculteitsbestuur zitting hebben onbekwame personen zijn, zoals eveneens uit mijn vorige column is geconcludeerd? Natuurlijk niet! Sterker nog: Wellicht zullen de niet-professorale bestuurleden die ik mogelijk gekwetst heb met mijn algemeen bestuurlijke opmerkingen veel grotere geleerden worden dan ik. Kan ik het getroffen faculteitsbestuur nog verdere troost bieden? Jazeker. Mr Asscher ziet in zijn essay de rol van de columnist vooral als die van de hofnar. Maar er zijn vanouds twee soorten hofnarren. Enerzijds de drukke, actief treiterende komiek, en anderzijds de enigszins idiote, vaak mismaakte en wat passievere pestkop. Kennelijk ben ik te actief treiterend geweest. Dat betreur ik. Ik zal me nu, zelfs gaarne indien gewenst, in het toekomstig verkeer met de getroffen faculteit enigszins passief en een pietsje idioot - maar niet gevaarlijk - gaan opstellen. Mijn mismaaktheid zal ik de faculteitsraad tonen. En dat alles, als een echte hofnar, uit liefde voor slechts dat ene: de ziel en zaligheid van de Koning. Alleen nog even dit: wie is de Koning van wetenschapsland?