Organochloor tast immuunsysteem zeehond aan

Dat watervervuiling ook voor zeehonden ongezond is, laat zich raden. Het wetenschappelijk bewijs hiervoor is nu geleverd door Rik L. de Swart, die hierop binnenkort hoopt te promoveren aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Milieuvervuilende stoffen, met name organochloorverbindingen, waaronder PCB's en dioxines, blijken het immuunsysteem van de dieren aan te tasten.

Voor zijn onderzoek, uitgevoerd bij de Zeehondencrèche in Pieterburen, ving De Swart 22 jonge zeehonden voor de relatief schone noordoostkust van Schotland. De helft van deze groep werd gedurende 2,5 jaar gevoerd met relatief schone haring uit de Atlantische Oceaan, de andere helft kreeg haring uit de zwaar vervuilde Oostzee. In beide gevallen was de vis oorspronkelijk voor menselijke consumptie bedoeld.

De dieren die Oostzeeharing aten, kregen drie tot tien keer zoveel organochloorverbindingen binnen als de Atlantische groep. Maar ook die laatste groep bleek, via een consumptie van wel 5 kilo haring per zeehond per dag, nog heel wat vervuiling binnen te krijgen. Bij de dieren, die de Oostzeeharing hadden gegeten, kon na 2,5 jaar een minder goed functioneren van het afweersysteem worden aangetoond.

Vooral twee groepen afweercellen, de zogeheten natural killer (NK) cellen en de T-lymfocyten, bleken minder goed te functioneren. Deze beide celtypen spelen ook een belangrijke rol bij de afweer tegen virusinfecties. Bij wilde zeehonden zijn de gehaltes aan immuuntoxische stoffen vaak nog hoger dan in de dieren van de Oostzeegroep, daarom lijkt het waarschijnlijk dat milieuvervuiling een rol heeft gespeeld bij de recente zeehondevirusepidemie. Afgezien daarvan bleek de algehele gezondheidstoestand van deze groep zeehonden niet minder dan die van de andere proefgroep.

Al eerder was in laboratoriumonderzoek bewezen dat bepaalde organochloorverbindingen het afweersysteem van zoogdieren kunnen vergiftigen. In de meeste gevallen echter kijkt men dan naar het effect van één stof in een relatief hoge, acute dosering. Over het lange-termijn-effect van chronische blootstelling aan een mengsel van milieuverontreinigingen was tot nog toe weinig bekend. Bij lage doseringen is de blootstelling aan de afzonderlijke stoffen minder schadelijk. Maar het vermoeden bestond, dat verschillende organochloorverbindingen hetzelfde toxiciteitsmechanisme zouden kunnen bezitten, zodat je de werking van de afzonderlijke stoffen als het ware bij elkaar op kunt tellen.

In het wild zal een moederzeehond tijdens het zogen van haar jong enkele weken aan wal blijven en in die periode dus vrijwel niets eten. Intussen moet ze wel vette moedermelk produceren. In deze periode worden de vetreserves uit de dikke speklaag aangesproken en daar zitten juist veel toxische stoffen in. Om uit te vinden of tijdens het vasten veel immuuntoxische stoffen worden gemobiliseerd, liet men ook de proefzeehonden twee weken vasten. In die tijd verbrandden ze de helft van hun vetreserve en verloren gemiddeld zo'n 11 kilo lichaamsgewicht. De concentraties van sommige slecht afbreekbare organochloorverbindingen bleken licht te stijgen, maar die van de meeste gifstoffen bleven ongeveer gelijk. Een korte vastenperiode vormt kennelijk geen extra bedreiging voor de gezondheid van de dieren.

Na afloop van de experimenten werden alle dieren nog een half jaar met schone Atlantische haring gevoerd en vervolgens weer uitgezet in het wild.