Oliebedrijven fel tegen plan-Wijers voor nieuwe wet

DEN HAAG, 8 JUNI. De ondernemingen die in Nederland olie en aardgas produceren hebben fel geprotesteerd tegen een plan van minister Wijers om ondernemers hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor schulden van hun partnerbedrijven aan de staat. Hierbij gaat het om achterstallige betalingen van het winstaandeel van de staat in de olie- en gaswinning.

De oliemaatschappijen, verenigd in hun organisatie Nogepa, vragen de Tweede Kamer om plannen van minister Wijers (economische zaken) die leiden tot een “verslechtering van het mijnbouwklimaat” en “aantasting van de rechtszekerheid” af te wijzen.

Uit het Voorlopig Verslag dat de Tweede Kamer in maart gaf over een voorstel van de minister om een aantal wetten op het gebied van de mijnbouw aan te passen aan een nieuwe Europese richtlijn, bleek al dat een groot deel van de Kamer bedenkingen had tegen onderdelen van dit plan. Noch de kritiek van de Kamer, noch een gesprek dat Nogepa voerde met ambtenaren van Wijers heeft echter geleid tot aanpassing van het wetsvoorstel.

De nieuwe richtlijn van 'Brussel' beoogt meer concurrentie en liberalisering in het Europese energiebeleid te introduceren. Wijers schrijft de Kamer dat zijn voorstel geen wijziging brengt in de financiële voorwaarden waaronder op het vasteland en op de Noordzee olie en gas kan worden gewonnen. Hij wil echter behalve een aantal regels die voor de uitvoering van de richtlijn nodig zijn, nog een paar andere zaken regelen die de oliemaatschappijen in het verkeerde keelgat zijn geschoten.

Eind jaren '80 weigerde een bedrijf dat zich uit een project voor gaswinning op de Noordzee had teruggetrokken, zijn aandeel in de vordering van de staat (staatswinstaandeel) te voldoen. Ook de partners wilden niet betalen. Wijers wil nu de betaling van het winstaandeel veilig stellen door alle partners in de gas- en oliewinning binnen een project hoofdelijk aansprakelijk te stellen. Hij beroept zich op het oordeel van de Raad van State dat zo'n wettelijke verplichting “niet onrechtmatig” is.

Nogepa acht de hoofdelijke aansprakelijkheid echter “het verkeerde signaal op het verkeerde moment” omdat de exploratie en produktie van gas en olie op het Nederlandse deel van de Noordzee al minder aantrekkelijk wordt door de afnemende energiereserves en door de Nederlandse fiscale voorwaarden die veel minder aantrekkelijk zijn dan op het Britse en Noorse deel van het Continentaal Plat. Het opleggen van de hoofdelijke aansprakelijkheid heeft volgens de oliemaatschappijen tot gevolg dat de concurrentiepositie van Nederland verder verslechtert. Ook zou de minister in strijd met de Europese richtlijn handelen door de aansprakelijkheid niet alleen voor nieuw uit te geven explitatievergunningen, maar ook voor de bestaande vergunningen te laten gelden. Dat leidt tot aantasting van de rechtzekerheid, menen ze.

Medewerkers van Wijers hadden de olie-industrie wijsgemaakt dat de hoofdelijke aansprakelijkheid ook in het Verenigd Koninkrijk zou gelden. Uit een brief van de Britse zusterorganisatie van Nogepa aan minister van financiën John Colling blijkt echter dat die informatie onjuist is en dat de zorg van Nogepa over het voornemen van de Nederlandse minister in andere lidstaten van de EU wordt gedeeld. Directeur Harold Hughes van de UK Offshore Operators Association waarschuwt de Britse minister voor de negatieve effecten van het Nederlandse streven. Ook wijst hij Colling erop dat ambtenaren van Wijers hebben geprobeerd de Europese Commissie en het Europese Parlement ervan te overtuigen dat de hoofdelijke aansprakelijkheid in de hele Unie zou moeten gaan gelden. Hughes vraagt Colling zijn collega's van Financiën van de andere lidstaten voor het voorstel-Wijers te waarschuwen.

Nogepa protesteert verder tegen een poging van Wijers om de staatsholding Energie Beheer Nederland (EBN) het recht te geven investeringsplannen van ondernemingen in olie- en gasprojecten waarin de staat deelneemt, te kunnen blokkeren. Ook maakt Nogepa bezwaar tegen een door Wijers voorgestelde wetswijziging over de mogelijkheid van aanpassing van bestaande exploratievergunningen. Oliemaatschappijen kunnen de minister vragen om een wijziging van beperkingen en voorschriften in de vergunning. Volgens de huidige wet moet de minister aan zo'n verzoek gevolg geven, tenzij dit strijdig is met het algemeen belang. Deze laatste bepaling schrapt Wijers nu. Dat tast volgens de maatschappijen hun rechtszekerheid aan en belemmert de mogelijkheden om kleine, 'marginale' gasvelden op de Noordzee binnen bestaande vergunningen tot produkte te brengen.