Ministerconferentie ziet in Esbjerg werkloos toe: Industrievisserij pleegt roofbouw op Noordzee

Nauwelijks controle, netten als nylonkousen en tonnen gequoteerde consumptievis die als bijvangst in de vismeelindustrie verdwijnen. Zo omschreef een bezorgde Johan Nooitgedagt, voorzitter van de Nederlandse Vissersbond, onlangs op de jaarvergadering in Akersloot de effecten van de industriële visserij. De ergernis over vooral Deense concurrentievervalsing door de in recente decennia snel gegroeide industriële visserij is bij de Nederlandse vissers hoog opgelopen. 'Nederland moet veel meer opkomen voor haar eigen vissers. Onze politici moeten niet zo braaf ja knikken in Brussel', aldus een getergde Nooitgedagt.

Verrassend genoeg zijn de Hollandse vissers en de milieubeweging het ditmaal roerend eens. 'Op morele gronden zou de industrievisserij onmiddellijk verboden moeten worden', vindt drs. Rob Gerits van de stichting Werkgroep Noordzee, een milieubeweging die door Vrom, Landbouw en Verkeer & Waterstaat wordt gesubsidieerd. 'Als zo'n verbod op sociaal-economische gronden niet acceptabel is, zou men op zijn minst het voorzorgsbeginsel in de visserij moeten implementeren. Het wordt hoog tijd om quota te stellen voor de vangst van zandspiering!', vindt Gerits. 'Maar Nederland houdt angstvallig zijn mond, om zelf niet op de vingers te worden getikt over onze eigen boomkorvisserijpraktijken.'

Op de vierde internationale Noordzeeconferentie, die vandaag en morgen is Esbjerg wordt gehouden, staat voor het eerst ook de industriële Noordzeevisserij op de agenda. Waarnemers verwachten echter dat er in Esbjerg geen spijkers met koppen worden geslagen. Alle Duitse voorstellen die bij de diverse voorronden zijn ingebracht om tot concrete maatregelen te komen om het voorzorgsbeginsel in de visserij te introduceren, zijn, mede door Nederlands verzet, van tafel geveegd. In Esbjerg zullen de ministers alleen vragen om 'nader onderzoek' naar de mogelijke effecten van de industriële visserij op het duurzaam voortbestaan van de zandspiering, sprot en kever, waarop de industriële visser vist. Ook de gevolgen voor andere Noordzeevissoorten, zoals haring, kabeljauw en schelvis, die deze kleine 'industrievisjes' op hun menu hebben staan moeten worden bekeken.

'Nader onderzoek?' briest de Texelse zeebioloog drs. Jan Andries van Franeker, als vrijwilliger actief voor de vogelbeschermingsorganisatie Birdlife International. 'Het is overduidelijk dat bij de huidige, zeer hoge vangstniveaus absoluut geen sprake is van duurzaamheid. Door elk jaar de complete paaipopulaties weg te vangen neemt men onacceptabele risico's. Daar hoef je echt niet verder op te studeren, dat is zonneklaar.'

Vismeel

De industrievisserij op de Noordzee wordt vooral door Deense vissers bedreven. Alleen al vanuit Esbjerg varen 75 industrievissers. Met netten als nylonkousen - zegt Vissersbondvoorzitter Nooitgedagt - en een vangstcapaciteit van 300 tot 1.000 ton. In die fijnmazige netten wordt heel wat jonge kabeljauw, wijting en haring kapotgemaakt. In totaal verdienen 1500 Deense vissers hun brood in deze sector en daarnaast is de bijbehorende verwerkende industrie van belang. Naast de Denen (90 procent) zijn de Noren, Britten en Far Oerbewoners in de industrievisserij actief.

Tezamen halen zij meer dan de helft van de 2,5 miljoen ton vis op die jaarlijks op de Noordzee wordt gevangen. Deze wordt verwerkt tot vismeel voor de bio-industrie en tot visolie voor margarine, produkten waarvoor plantaardige eiwitten en oliën volgens de milieubeweging prima als alternatief zouden kunnen dienen. De weggevangen vissoorten vormen het basisvoedsel voor andere Noordzeevis, zeevogels en zeezoogdieren. Bovendien bestaat de bijvangst van de industriële vissers voor meer dan 20 procent uit dure jonge consumptievis zoals haring - die in een later stadium veel meer geld zou opbrengen.

De industrievisserij begon in de jaren vijftig als een kleinschalige industrietak. In 1950 bedroeg de totale vangst 28.500 ton. Begin jaren zeventig was de vloot al fors gegroeid. In 1975 waren de vangsten met 1,8 miljoen ton vis op een hoogtepunt, daarna klapten ze in. Oorspronkelijk ving men drie vissoorten in ongeveer gelijke hoeveelheden: de zandspiering (Ammoditiae), de sprot (Sprattus) en de kever (Trisopterus esmarkii). Eind jaren tachtig waren sprot en kever vrijwel helemaal uit de Noordzee weggevist, en sindsdien bestaat de opbrengst voor meer dan 75 procent uit zandspiering, die nu in veel grotere hoeveelheden dan voorheen wordt binnengehaald om de totale vangst op peil te houden.

De zandspiering is een vrij klein visje, tot 20 centimeter lang. Overdag graaft hij zich in het zeebed, 's nachts wordt hij actief. Hij leeft van plankton, wormen en schelpdieren en wordt op zijn beurt weer gegeten door andere belangrijke vissoorten zoals haring, kabeljauw, zalm en makreel. Voor de vangst van deze soort, in ondiepe kustwateren, geldt geen enkele internationale beperking. Voor de vangst van sprot en kever bestaan wel vangstbeperkingen, maar volgens critici worden die nauwelijks gecontroleerd. Gerits: 'Voor sprot en kever is al jaren geleden, toen de belangen nog niet zo groot waren, een internationaal totaalquotum gesteld. Maar er zijn geen afspraken over hoeveel elk land daarvan mag ophalen. Wie het eerst komt, die het eerst maalt. Onoverzichtelijkheid is troef.'

De kever wordt met grotere schepen gevangen in dieper water in de noordelijke Noordzee. De vangst gaat gepaard met aanzienlijke bijvangsten aan schelvis, wijting en zegt. Er bestaan normen voor de minimum maaswijdte, maar niet voor de minimumafmeting van de vis die aan land wordt gebracht. Datzelfde geldt voor de sprot, een klein visje uit de haringfamilie, dat zowel voor menselijke consumptie als voor industriële doeleinden dient. De vangst vindt plaats in de zuidelijke Noordzee, buiten het 'zandspieringseizoen'. Officieel mag de bijvangst van de sprotvisser voor niet meer dan 10 procent uit andere, beschermde vissoorten bestaan, maar in de praktijk zwemmen sprot en haring vaak samen op en bestaat de 'sprotvangst' in de praktijk vaak voor 50 procent of meer uit jonge haring, die dan stilzwijgend in de vismeelsilo's verdwijnt. De vangst schommelt enorm. In 1975 ving men 641.000 ton sprot, in 1986 maar 56.000 ton.

Zandspiering, sprot en kever zijn alle drie kort levende soorten. Door natuurlijke oorzaken, zoals veranderende zeestromingen, watertemperatuur en zoutgehalte, kan de visstand van jaar tot jaar al enorm fluctueren. 'In de huidige praktijk vangt men elk jaar vrijwel de complete paaipopulatie van deze vissoorten weg', zegt Gerits. 'Met andere woorden, men vertrouwt elk jaar blindelings op een goed voortplantingsresultaat. Valt dat tegen, door natuurlijke oorzaken, of door een olieramp, dan is de vissoort in één klap bijna weg. Daarmee zaagt de industriële visserij niet alleen de poten onder zijn eigen stoel vandaan, maar ook voor de overige Noordzeevisserij, voor de zeehonden en de zeevogels is deze werkwijze enorm riskant. Er dreigt een hele schakel uit het ecosysteem weg te vallen.'

Papegaaiduikers

Hoe dramatisch dat kan uitpakken bleek eind jaren tachtig bij de Shetlandeilanden. Toen de zandspiering hier vanaf 1982 enkele slechte voortplantingsjaren had, maar de visserijdruk niettemin op peil bleef, verdween de vis binnen enkele jaren vrijwel helemaal uit het gebied. Als gevolg daarvan konden de talrijke papegaaiduikers en andere zeevogels hun jongen niet meer voeren. Jarenlang brachten de zeevogelkolonies vrijwel geen enkel kuiken groot. Pas na het sluiten van de zandspieringvisserij kan de visstand zich sinds kort weer enigszins herstellen, en daarmee ook de vogelstand.

Bioloog Van Franeker: 'De hele strategie van zeevogels is gericht op een lang leven en een trage voortplanting. De meeste zeevogels leggen maar één ei per jaar.' Zelf deed Van Franeker in 1980 onderzoek aan zeekoetpopulaties in het hoge noorden, op Bear Island. Hij telde daar naar schatting 1 miljoen zeekoeten. Door overbevissing op de lodde in de Barentszee, eind jaren tachtig, stierf 90 procent van de zeekoetpopulatie de hongerdood. Zeehonden trokken uit pure honger massaal naar het zuiden, om daar vervolgens door Noorse vissers te worden afgeschoten. Volgens Van Franeker is vooral de gewone zeekoet sterk afhankelijk van de lodde. Zijn neef, de dikbekzeekoet, kan meer compenseren door bij visschaarste over te schakelen op kleine kreeftjes en ander zoöplankton. Na de massale sterfte op Bear Island bleek wel, dat jonge zeekoeten eerder een eigen broedplek in de vroeger drukbezette kolonie konden veroveren. Ook raakten ze niet op vierjarige leeftijd, maar al een jaar eerder aan de leg. Ze leggen echter maar een ei per jaar. De zeekoetenpopulatie op Bear Island is nu op zo'n 40 tot 50 procent van het niveau van 1980 en het zal, aangenomen dat nieuwe rampen uitblijven, tientallen jaren duren voordat ze weer helemaal op peil zijn.

Het rekensommetje voor een duurzame industrievisserij is niet moeilijk. Van Franeker: 'Je kunt bijvoorbeeld als uitgangspunt kiezen, dat de voortplanting van de vissen door natuurlijke oorzaken drie jaar achtereen slecht kan zijn. In die drie jaar wil je dan toch je vangstniveaus kunnen handhaven, en genoeg vis overhouden voor een nieuwe voortplantingsronde. Dan moet je jaarlijks niet meer dan een kwart van de maximal sustainable yield wegvissen, in plaats van 100 procent. Wat we nu doen is buitengewoon riskant en kortzichtig.'