In Liefde Bloeyende

EENZAAM KERKHOF

De witte grassen bewegen en komen heen en weder door wind en dauw de takken wiegen hun stille dromen op donkere armen in sluiers van rouw het sleepkleed der treurende essenbomen raakt bloeiende grassen in avonddauw.

Hoog groeiden de grassen, wind die ze zaaide wind die ze verwaaide, zij bloeien uit geen hand die ze plukte, geen zeis die ze maaide. De witte grassen bewegen en komen heen en weder door wind en dauw op de hekspijlen buigen de bomen hun donkere hoofden in krip van rouw. Hun hangende sluiers beroeren de klachten der witte rozen en het schemerrood der oude daken, vele wolkengeslachten gaan het hek over, de bloemen en de dood.

Woest liggen de graven, de grendelen der aarde sluiten de doden van 't leven af zij zinken al dieper, een weeldrige gaarde bloeit, hoog als de hemel, boven hun graf. En de wagenmenner, in 't beeld van de sterren ziet ernstig peinzend omlaag ver ligt al de aarde, een stip, zo verre en zijn paarden gaan zo traag. Langs andere werelden stiert hij zijn wagen en waar geen werelden meer zijn de steppenvlakten door van een eindeloos, vage onbekende hemelwoestijn.

Augusta Peaux (1859-1944)

Meteen van de eerste regel af al

De witte grassen bewegen en komen

neemt de natuur het hele scherm in beslag, van boven tot beneden, de takken en de grassen zijn beeldvullend, ze raken elkaar, want

Hoog groeiden de grassen

en na een langgerekte close-up van wiegende takken en treurende sleepkleden en witte grassen die deinen en hoog opschieten treden we iets achteruit, tot er ook hekspijlen en oude daken in beeld komen maar het blijft een opname zonder mensen: de enigen die in het scenario van deze kosmos hoofden hebben zijn de hekspijlen en de enige geslachten die ter sprake komen zijn de wolkengeslachten.

Tempo, ritme, beeldrijm, aldoor is daar die verwaaiende, uitgroeiende, bewegende, heen en weer gaande, rondom een paar dode requisieten huiverende vegetatie, hees en hortend, om een andere dichteres te citeren, zwellend en weer haastig slinkend, terwijl de jaargetijden vliegen

vele wolkengeslachten gaan het hek over, de bloemen en de dood

Maar de mensen zijn blijkbaar verdwenen, het gaat om een ontvolkte aarde, de natuur rouwt enkel om zichzelf, de grassen zijn er alleen nog met de wind

geen hand die ze plukte, geen zeis die ze maaide

en als we eindelijk zo ver uitzoomen dat we het eenzaam kerkhof in beeld krijgen, waardoor de stille dromen en de sluiers van rouw als het ware een context krijgen

Woest liggen de graven, de grendelen der aarde sluiten de doden van 't leven af

dan nóg wordt er met 't leven niet de levenden bedoeld, maar opnieuw de 'weeldrige gaarde' van de hoge grassen waarin de doden steeds dieper wegzinken.

Ze zinken niet alleen steeds dieper weg door het schielijk omhoogschieten van die grassen, maar ook omdat wij met ons beschouwersstandpunt ineens van de aarde worden weggetorpedeerd. Ineens staan we naast een wagenmenner - de wagenmenner - en zien we de aarde als een stip. We zijn in een schoksgewijze versnelling geraakt waar geen houden meer aan is: door de combinatie van onze torpedo-status en de zin

En zijn paarden gaan zo traag

weten we dat we in een wereld verzeild zijn geraakt waar andere wetten gelden voor tijd en ruimte. We schieten in de zo verbijsterend opwellende slotregels het heelal uit en het zwarte gat in, niets minder.

En waar geen werelden meer zijn...

't Is bijzonder dat dit alles - de woeste aarde met haar versnelde wolkenpartijen, het unheimliche ontbreken van mensen, de glijvluchten en de perspectiefverschuivingen, de schielijke sprint met uitwaaierende draai de ruimte in, de verdwijnende wereldbol, het zelf tot een stip oplossen in een vage hemelwoestijn, kortom, alle ellipsen, focussen en spiralen - dat dit alles beelden en montagetrucs zijn die ons zeer vertrouwd voorkomen uit ruimtevaart- en science-fictionfilms. 't Is bijzonder althans voor een gedicht dat vóór 1926 is ontstaan, het verschijningsjaar van de bundel waaruit het afkomstig is.

't Gedicht eindigt in het blinkend wit van het zwarte gat, in een uiteenspattend niets - eerst verdwijnen de graven, daarna de aarde, daarna de wagenmenner zelf, vervolgens verdwijnen de werelden en ten slotte zuigt het gedicht ook zichzelf mee naar binnen, 't is om zo te zeggen poëzie die na gebruik implodeert. Niet alleen een profetisch, maar ook een ideaal gedicht, eigenlijk.