Huisarts is geen gesprekstherapeut

Tijdens een nieuwe ronde in de zoektocht naar bezuinigingen op de gezondheidszorg is door minister Borst (volksgezondheid, welzijn en sport) voorgesteld de huisarts een breder takenpakket te geven. Het aantal aanmeldingen van mensen met psychische klachten bij Riaggs zou kunnen dalen door de huisarts ook gesprektherapie te laten doen. In de zeventien jaar die ik samenwerk met een vijftiental huisartsen heb ik niet de indruk gekregen dat dit een zinvolle oplossing is. De huisarts is niet geschikt voor gesprekstherapeut.

In de eerste plaats moet de vraag gesteld worden wat er wordt bedoeld met gesprekstherapie. Het antwoord hierop is, gezien de uitgebreide hulpverleningsstrategieën die in dit veld bestaan, niet eenvoudig. Maar dit mag voor de minister geen reden zijn om het dan maar zo vaag mogelijk te laten.

In de tweede plaats weten alle psychotherapeuten (die meestal gesprektherapie beoefenen) en vooral ook degenen die tevens arts zijn, dat lichamelijk onderzoek combineren met gesprekstherapie ongeveer de meest basale fout is die je kunt maken in dit vakgebied. De psychologische hulpverlening vereist een geheel andersoortige relatie met de patiënt dan die welke huisarts en patiënt in de regel opbouwen. Ook indien de gesprekstherapie zich vooral zou richten op relatiestoornissen, is de combinatie van intensieve gesprekken met het echtpaar en op een ander moment pilcontrole (inclusief borstonderzoek en vaginaal touche) bij de vrouw waarschijnlijk erg nadelig voor de effectiviteit van de gesprekstherapie.

Voorts gaat aan interventies als gesprekstherapie een psychodiagnostisch onderzoek vooraf. Hiervoor is de huisarts niet adequaat opgeleid. Bij relatiestoornissen komt het bijvoorbeeld vaak voor dat een persoonlijkheidsstoornis van een of beide partners verantwoordelijk is voor de verstoring in het contact. Deze niet diagnostiseren en toch maar gesprekken gaan voeren, vervreemdt mensen doorgaans van psychologische hulpverlening.

Psychotherapeuten zijn doorgaans psychiaters en klinisch psychologen die na hun basisopleiding nog een jaar of vijf specialistische opleiding hebben gehad. Dit hebben zij nodig om de noodzakelijke psychodiagnostiek en de diverse vormen van therapie, waaronder gesprekstherapie, goed te kunnen uitoefenen. Vanzelfsprekend is het een uitholling van de kwaliteit van dit werk indien de huisarts dit er maar even bij moet doen.

Een betere manier om tot bezuiniging te komen is de volgende. In Nederland bestaat reeds enige jaren een behoorlijk goed netwerk van eerstelijns-psychologen en vrij-gevestigde psychotherapeuten. Met name de eerstelijnspsychologen zijn bij uitstek geschikt voor het werk dat de minister aan de huisarts wil toebedelen. In sommige gevallen wordt de kortdurende en tamelijk goedkope hulp van deze psychologen al geheel of gedeeltelijk vergoed door een ziektekostenverzekeraar.

Laat de minister nu de ziektekostenverzekeraars eens stimuleren dit type hulp beter en consequenter te vergoeden. Voordeel: ontlasting van de Riaggs, bewezen vermindering van specialistisch medische consumptie door minder ziekenhuisopnames en minder specialistenbezoek, ontlasting van de huisartsen. En wat deze laatsten betreft, zij krijgen nu zelf meer tijd om met de patiënt eens gewoon te praten. Het gesprek met de huisarts is voor de patiënt veel zinvoller dan gesprekstherapie door de huisarts.