Hongaarse schilders in Haags museum; Het boerenland op doek

Tentoonstelling: Hongaarse schilderkunst 1860-1910. T/m 25/6 in Het Paleis, Lange Voorhout 74, Den Haag. Geopend: di-zo 11-17 uur. Entrée: ƒ 8,-. Catalogus: ƒ 55,-.

Terwijl buiten wordt gevochten om een parkeerplaats, strekt zich meteen bij binnenkomst in alle rust een flinke, verlaten poesta uit. Alleen wat paarden zijn er te bekennen, een herder en de ja-knikker van een waterput. Die houten hef boven de put doet onwillekeurig denken aan een galg, en legt zo een lugubere verbinding tussen de woest bewolkte hemel en de kale aarde.

Het Paleis aan het Lange Voorhout wijdt een tentoonstelling aan de 19de-eeuwse schilderkunst van Hongarije. Want waar anders zijn poesta's te vinden en waar anders vereenzelvigt men zich zo met die onherbergzame leegte en grenzeloze vrijheid? De Nationale Galerie, het 'rijksmuseum' op de burcht van Boedapest, bezit tienduizend doeken uit de periode 1800-1945. Den Haag koos van achttien kunstenaars zo'n honderd werken. Vijf van hen - hier volstrekt onbekend en daar beroemd - kregen meer ruimte dan de anderen.

Als tegenprestatie stuurt het Haags Gemeentemuseum komende winter de Haagse School naar Boedapest. Soms komt een Hongaars doek daar stilistisch en thematisch dichtbij in de buurt. Want eind vorige eeuw reisden Haagse werken vrijelijk door Centraal-Europa, waar vooral Mesdag indruk maakte. Net zoals in Rusland zal ook in Boedapest een geldelijke compensatie meer welkom zijn geweest dan een Nederlandse presentatie van bewolkte kuststroken. Want onlangs is over het erbarmelijk lage, Hongaarse cultuurbudget opnieuw de kaasschaaf gehaald, terwijl de korst al in zicht was gekomen, vertelde conservatrice Anna Szinyei Merse, die even het Haagse museum bezocht. Nee, zij niet, maar de volgende generatie Hongaarse conservatoren zal het beter vergaan, denkt ze. Of die net zulke grondige catalogus-teksten kunnen schrijven als zij, valt nog te bezien.

Uit de periode 1860 tot 1910 die deze tentoonstelling bestrijkt, zijn het realisme en het 'en plein air'-schilderen gelicht. In navolging van de School van Barbizon trokken de Hongaren de bossen in, de vlakten op, de dorpen door. Het armetierige boerenleven dat hun pad kruiste verdrong op het linnen de Hongaarse koningsdrama's van weleer. Die historiestukken vol vaderlandse triomfen, nu pronkstukken van de Nationale Galerie, lieten ze achter zich. Voor het eerst, leek het, keek men in vol daglicht, in frisse buitenlucht met intense aandacht om zich heen. Boombast werd ineens een liefdevolle blik waardig bevonden.

Hoewel het land nog deel uitmaakte van de Habsburgse Dubbelmonarchie en Wenen het centrum van alles was, trokken jonge kunstenaars voor hun scholing steeds vaker naar Zuid-Duitsland, Parijs en zelfs naar Nederland. De jong gestorven László Paál bijvoorbeeld streek neer in het Drentse Beilen om er een zonnige landweg te schilderen en een grasland met wat bomen die onder een loodzwaar bewolkte hemel gebukt gaan. Zijn verblijf van enkele maanden leverde twintig, met Anton Mauve verwante landschappen op die Franse schrijvers als Zola en Dumas graag aankochten.

Paáls blik kroop door wattige wolken en warrig groen. Door zijn levendige manier van werken hoor je bijna het ritselend gebladerte. Zijn ondertoon bleef somber, net zo somber als Paál zelf. Izsak Perlmutter daarentegen, die veel langer in Nederland verbleef, verleidt de kijker niet, maar plaatst zichzelf en zijn modellen bijna brutaal op de voorgrond. Met zijn lineaire, grove toets zit hij zichzelf en de ander op de huid. We mogen van Perlmutter niet om Perlmutter heen.

De tentoonstelling opent met de virtuositeit van de ooit ook in het westen zeer gewaardeerde, zelfs bekroonde Mihály Munkácsy, schilder van zowel Hongaarse volkstaferelen als net even te gloedvolle landschappen. Tussen hem en de laatste exposant Perlmutter bevrijdden de Hongaarse schilders zich stapje voor stapje van het academisme. Steeds stoutmoediger - voor die tijd althans - mocht de hand de eigen blik en zintuigen volgen.

Vooral Courbets realisme zou voor menigeen een lichtend voorbeeld blijven. Met het impressionisme raakte men vertrouwd mede dankzij Pál Szinyei Merse, een Hongaarse 'loner' die in losse toetsen en bonte kleuren durfde uit te pakken. Hij maakte 'het mooiste schilderij van Hongarije', zeggen zijn landgenoten: een romantische picknick op een zon- en schaduwovergoten heuvelrug, waar meisjes in zwierige jurken het hof worden gemaakt. De eerste schets is ook in Den Haag geëxposeerd.

Szinyei Merse op zijn beurt imponeerde weer de zogenaamde School van Nagybánya, een Transsylvanisch mijnstadje waar een kunstenaarskolonie zich toelegde op het impressionistisch schilderen. Uiteindelijk durfden ze daar niet zo te vrij te werken als hun frivolere collega's in Frankrijk. Maar toch zijn de mooiste schilderijen in Het Paleis door een belangrijk leermeester van deze kolonie gemaakt: Károly Ferenczy. Hij portretteerde tot in de finesses een tuinier en zijn hulpje, een zandkleurig, Scandinavisch aandoend biedermeier-schilderij. Ruim tien jaar later lukte het Ferenczy dat noordelijke, koele licht uiteen te laten vallen in breed gekwaste mediterrane zonnevlekken. Ze overdekken een echtpaar in een tuin. Hij leest wat, zij peinst in haar rieten stoel wat voor zich uit. Twee mensen die zich niet ongemakkelijk voelen als er lang gezwegen wordt.

Die atmosferische uitersten bij Ferenczy - van exactheid naar suggestie - maken kort en krachtig duidelijk welke verandering zich ook in Hongarije in die tijd heeft voltrokken. Veel opwinding brengt dat nu niet meer teweeg. Daarom is het jammer dat de samenstellers van de tentoonstelling eigenlijk voor het behaaglijke hebben gekozen, voor een flink aantal van die naturalistische, o zo vruchtbare landschapjes, en helaas niet voor het afwijkende, voor de portretten van Parijse clochards, bijvoorbeeld, die van László Mednyánszky zo'n mystieke glans en zo'n korstig oppervlak kregen - alsof de smoezelige zelfkant in stoppels verf moest worden uitgedrukt.