Het socialisatieproces van de rits; Een geniale noviteit waar niemand aan wou

De zich vervlechtende tandjes waarmee je gulpen, tenten, regenjassen, en jurken in een beweging opent en sluit, zijn niet meer weg te denken uit het dagelijks leven. Toch duurde het drie decennia voordat de rits de wereld veroverde.

Zipper: An Exploration in Novelty door Robert Freidel, uitg. W.W. Norton, New York en Londen, 288 blz., ƒ 60,50.

Zo vanzelfsprekend als het nu lijkt, zo moeizaam en gecompliceerd was het ontstaan van dat mini-wonder van technisch inzicht en doorzettingsvermogen: de ritssluiting. Niet alleen het voorwerp zelf is opmerkelijk, maar ook het feit dat deze uitvinding, aanvankelijk volstrekt overbodig en veel te duur, zich als een onmisbaar gebruiksvoorwerp heeft genesteld in onze cultuur. Vol verwondering over de geschiedenis van deze geniale noviteit heeft de Amerikaanse technologie- en wetenschapshistoricus Robert Freidel er een mooi geïllustreerd boek over geschreven, Zipper: An Exploration in Novelty.

Anderen hebben zich al eerder over het fenomeen gebogen, Henry Petrosky bijvoorbeeld, die in The Evolution of Useful Things ook de paperclip, de vork en de blikopener de revue laat passeren. Maar Freidel behandelt tot in detail de uitvinding, de mensen die erbij betrokken waren en de ups en downs van de bedrijfstak. Bovendien verdiept hij zich in de symboliek van de rits aan de hand van voorbeelden uit de literatuur. Wat Freidel het meeste boeit, is de rits als cultuurhistorische case study van de manier waarop een noviteit in de (Amerikaanse) samenleving ingeburgerd raakt.

Veel belangrijke uitvindingen van eind negentiende, begin twintigste eeuw - het elektrisch lampje, de radio, de telegraaf, de telefoon, de auto, het vliegtuig, film, kunststoffen - maakten een snelle technologische ontwikkeling door, maar de rits niet. Het heeft zeker drie decennia gevergd om de technologie te vervolmaken, en de naam zipper heeft de fabrikant niet eens zelf bedacht.

Het oorspronkelijke idee was van ene Whitcomb Judson (1846-1909), verkoper van landbouwmachines die zich op middelbare leeftijd ontpopte als een hartstochtelijke uitvinder. Zo hartstochtelijk zelfs, dat zijn ontwerpen meestal aan een overdaad aan foefjes ten onder gingen. Zo ook zijn 'hookless fastener' (de haakloze sluiting), bedacht als sluiting voor schoenen. Het schuifje zou het enige echt bruikbare deel blijken, maar de kiem was gelegd.

Eind vorige eeuw richtte Judson samen met zijn zakelijke steun en toeverlaat Colonel Lewis Walker (1855-1938) de Universal Fastener Company op, daarna Automatic Hook and Eye Company geheten en tenslotte Talon. Zij brachten de wispelturige C-Curity op de markt en daarna de onhandelbare Plako, die beide op ongelegen momenten opensprongen en uit de kleding moesten worden gehaald als die werd gewassen. Onderwijl was Judson bezig met nieuwe projecten, en in 1906 trok Colonel Walker een heuse ingenieur aan, de Zweed Gideon Sundback (1880-1954). In 1913 bereikte Sundback een belangrijke technische doorbraak met de 'Hookless Hooker'. De haakjes waar de rits nog altijd op gebaseerd was verdwenen om plaats te maken voor de in elkaar grijpende tandjes zoals we ze nu kennen.

Nadat de technische barrière grotendeels was genomen, moest de fabrikant aan het begin van de Eerste Wereldoorlog nog een tweede hindernis overwinnen: marketing. Niemand zat op de uitvinding te wachten. Zowel knopen als haken en ogen waren veel goedkoper en - had de ervaring geleerd - betrouwbaarder. De rits moest een meerwaarde zien te krijgen: het imago van chique moderniteit. Dat had de kolonel snel begrepen: het bedrijf prees zijn produkt al vroeg aan als “a Twentieth Century device for this busy and progressive age”.

De gedreven Walker sommeerde zijn zoons, Wallace en Lewis jr., om hun schepen achter zich te verbranden en als vertegenwoordigers naar New York te gaan, het centrum van de kledingindustrie. Een wanhopige onderneming, blijkt uit de dagelijkse rapporten die hun vader van hen eiste: niet alleen vormden de fabrikanten een tamelijk gesloten bolwerk, maar de rits was eenvoudigweg te duur, zeker toen de vakbonden vanwege het extra werk loonsverhoging gingen eisen.

Na de Eerste Wereldoorlog brak de rits door bij een breder publiek - nog niet in kleding, maar als moderne touch in twee andere produkten, de Locktite-tabakzak (“Just pull the tip across the top!”) en de regenlaarzen van rubberfabrikant Goodrich, Zippers genaamd. Het zou nog tot diep in de jaren dertig duren eer het voor een goed geklede heer bon ton was - mede dankzij het goede voorbeeld van Edward Prince of Wales - om zijn gulp met een rits te sluiten in plaats van met knopen.

Freidel beschouwt de Parijse modeshows van couturiers als Elsa Schiaparelli en Molyneux in 1937 als keerpunt in het socialisatieproces van de ritssluiting. Zij pasten de rits niet als gebruiksvoorwerp toe, maar nadrukkelijk als decoratie. In 1940 was tachtig procent van de jurken die in Amerika werden gemaakt, van een rits voorzien: het produkt was volwassen geworden. Overigens bleef de zipper uitvinders boeien. Nadat Sundbacks octrooien in 1934 waren verlopen zijn er in Amerika in de daaropvolgende twintig jaar liefst 526 nieuwe aangevraagd.

Niet alleen uitvinders raakten geïntrigeerd door die zich vervlechtende tandjes, ook schrijvers vonden er een dankbare beeldspraak in. In Aldous Huxleys Brave New World werd de mechaniek van de rits symbool van liefdeloze seks; jaren later zou Erica Jong 'het ritsloze nummer' bezingen (waarbij het contact zo makkelijk was dat het niet eens door ritsen werd belemmerd) en zetten de Rolling Stones een echte rits op de hoes van Sticky Fingers. De Amerikaanse schrijver Tom Robbins brengt in Jitterbug Perfume de associaties van de rits beeldend onder woorden: “Ritssluitingen doen me denken aan krokodillen, kreeften en Azteekse serpenten... Kleine alligators van de extase, dat zijn ze. Sexy ook... Een rits is de slang zelve aan het voorportaal van Eden, die staat te wachten om een ware gelovige naar de Tuin te begeleiden.”

Freidel benadrukt dat de rits in eerste instantie niet in een behoefte voorzag, integendeel zelfs: het was aanbod zonder vraag. Dat hij het gehaald heeft, is aan koppige individuen te danken als Judson, Sundback en Walker die ervan overtuigd waren dat ze een goed, en op den duur rendabel, idee te pakken hadden. Zij waren kinderen van hun tijd, voortgekomen uit een cultuur die de koppeling van materiële ambities aan creatief ondernemerschap hoog waardeerde - en nog waardeert. Dat onwankelbare, door de samenleving gevoede geloof in het individu beschouwt Freidel als het fundament van technologische verandering. Hij gaat zelfs zo ver om te beweren dat dat proces van acceptatie van een nieuw idee of voorwerp een uiting van collectieve creativiteit is. Een wat euforische voorstelling van zaken, maar een sympathieke theorie - de gezamenlijkheid van de vooruitgang - is het wel.

Tot slot reist Freidel naar de bakermat van de rits, het stadje Meadville in Pennsylvania. Het bedrijf is naar het zuiden vertrokken, waar de lonen lager liggen. In Meadville is er behalve 'Talon' in grote vale letters op een muur, weinig wat er nog aan herinnert. Of het moet het lokale radiostation WZPR zijn. Geen mooier bewijs voor de plaats die de zipper in de alledaagse cultuur heeft veroverd.