Het nee van Rotterdam

OOK ROTTERDAM ZEGT dus nee tegen het opdelen van de stad, en daarmee tegen de stadsprovincie. Met een overweldigende meerderheid hebben de inwoners van Rotterdam, althans degenen die gisteren naar de stembus zijn gegaan, zich uitgesproken tegen de bestuurlijke herindelingsplannen. Jaren van noeste ambtelijke arbeid en bestuurlijk overleg zijn hierdoor in één klap achterhaald. De stadsprovincie kan voorlopig worden bijgezet in het inmiddels grote graf van mislukte plannen om het openbaar bestuur in Nederland te reorganiseren.

De uitslag van het Rotterdamse referendum is pijnlijk voor de bestuurders van de stad. Met een zeer grote meerderheid sprak de gemeenteraad zich eerder dit jaar uit voor de vorming van de stadsprovincie en de daaraan gekoppelde opsplitsing van Rotterdam. Onder de voorstemmers bevonden zich alle 'gevestigde' partijen: van VVD tot en met GroenLinks. Terwijl op ledenvergaderingen nog wel werd gemord, kozen de bestuurders voor de bestuurlijke oplossing. Een oplossing die echter, zoals gisteren is gebleken, nauwelijks op enige steun onder de bevolking kan rekenen. In een tijd waar het woord 'draagvlak' bij politici favoriet is, moet dit te denken geven.

OP ZIJN MINST ZO PIJNLIJK is de uitkomst voor het landsbestuur. De stadsprovincie leek aanvankelijk het ei van Columbus na een reeks van mislukte plannen en de teloorgang van het Openbaar Lichaam Rijnmond. Dat de uit de vorige eeuw stammende drieëenheid rijk, provincies en gemeenten niet opgewassen is tegen de naoorlogse stedelijke ontwikkelingen, wordt alom erkend. De diverse vormen van samenwerking tussen gemeenten zijn niet voor niets ontstaan. Het aanbrengen van enige structuur in deze ad hoc verbanden was, zeker met het oog op de democratische controle, zeer gewenst. De stadsprovincie zou deze structuur hebben geboden.

Onduidelijk is of de Rotterdammers, en eerder de Amsterdammers, zich nu uitgesproken hebben tegen de vorming van een stadsprovincie of tegen opdeling van hun stad. Getuige de stemverklaringen van de tegenstanders was vooral het laatste het geval. Om de onderlinge gelijkwaardigheid van de tot de stadsprovincie toetredende gemeenten te garanderen, werd de opsplitsing van Amsterdam en Rotterdam in kleinere eenheden bedacht. De logica van de tekentafel blijkt achteraf geen stand te houden tegen het grote-stadsgevoel van Rotterdammers en Amsterdammers. De vraag is nu of de buurgemeenten van Amsterdam en Rotterdam willen opgaan in een stadsprovincie waarin de centrale stad een onvermijdelijk dominante rol speelt. De reacties van die gemeenten wijzen niet in deze richting. Er is sprake van een patstelling.

TWEE KEER IN KORTE TIJD is het bestuur nu door de burgers gecorrigeerd. De voorgestelde stadsprovincies komen er niet, hoewel de gekozen bestuurders er in grote meerderheid voor hadden gepleit. Ietwat bizar is dat de rijksoverheid intussen mokkend aan de kant staat met twijfels over de rechtsgeldigheid van de referenda maar met de onvermijdelijke toevoeging dat zulke uitslagen “niet kunnen worden genegeerd”.

Eén conclusie kan uit de taferelen van de laatste maand in elk geval worden getrokken: aan de politieke regie heeft het nodige gemankeerd. De uitslag van beide referenda is een bevestiging van de stelling dat van volksraadplegingen veelal een conserverende werking uit gaat. De voorstanders van de stadsprovincie stonden op voorhand op achterstand. Het emotionele 'nee' is nu eenmaal een stuk eenvoudiger en wervender dan het op de toekomst pochende 'ja'. Met als bijkomstigheid dat in beide steden de meerderheid van de kiezers is thuisgebleven.

Wat de Amsterdammers en Rotterdammers niet willen is bekend. Wat ze wel willen is mistig gebleven. De grootste twee steden van het land hebben van het referendum kunnen proeven. De uitslag was in zijn beperktheid helder en duidelijk. Maar even helder en duidelijk bleek de beperktheid van het gehanteerde instrument.