Feiten en fabels

Het niet voltooien van het kanaal wegens overstromingsgevaar of wegens een voorspelling is een terugkerend thema bij de klassieke Griekse schrijvers, die daar overigens verschillende koningen bij betrekken. Voordat we hun mededelingen in verband proberen te brengen met de waargenomen resten van de schutsluis en van het kanaal van Pelusium moeten we eerst, wat dit laatste betreft, opmerken dat kanalen in de oudheid altijd 'droog' werden gegraven, want het machinaal baggeren werd pas in de 19de eeuw mogelijk. Als een kanaalsectie geheel op diepte was gebracht met het gewenste profiel, werd het stuk land doorgegraven dat men had laten staan als afscheiding van het met water gevulde gedeelte.

Het kan zijn dat men nooit geprobeerd heeft de sectie van het kanaal van Pelusium bij Ismaïlia met water te vullen, waarvoor als reden werd opgegeven dat dit een geweldige overstroming in de landengte zou veroorzaken. Het wordt dan begrijpelijk dat het tracé van dit kanaal zoals het aan de hand van overblijfselen en verandering in de bodemgesteldheid is vastgesteld, ten zuiden van Kantara een hiaat vertoont voordat het in het Ballahmeer voert: het kanaal is daar nooit doorgetrokken. Op deze manier zouden de bouwers van het kanaal misschien het fiasco van de waterpassing hebben kunnen verbergen voor de koning.

De cultuurhistoricus Egon Friedell karakteriseerde in 1938 de filosoof Aristoteles (384-322 v. Chr.) als 'de eerste professor in de geschiedenis'; ook al is dit ambt sinds 1938 zéér veranderd, we begrijpen toch precies wat hij bedoelde. Welnu, Aristoteles had het volgende te zeggen over het graven van scheepvaartkanalen door de landengte:

'We beschouwen de Egyptenaren als de oudste mensen; hun gehele land is het werk van de Nijl en het bestaat alleen maar dank zij haar. Deze waarheid springt iedereen die door het land reist in het oog; een aanvullend getuigenis wordt ook verstrekt door hetgeen men vindt aan de Zee van Erythraea. In elk geval begon een der koningen met de landengte door te graven, daar het voor hen van groot nut zou zijn deze doorgang bevaarbaar te maken.

Het schijnt dat Sesostris de eerste der oude koningen was die zich daar mee bezig hield. Maar hij stelde vast dat het niveau van het terrein lager was dan van de zee. Daarom hield hij, na een begin gemaakt te hebben, op met het graven van de doorgang, zoals Darius dat later zou doen, opdat het rivierwater niet zou worden bedorven door een vermenging met zeewater.'

'De Zee van Erythraea' is de oude naam van de 'Rode Zee' en Sesostris is de Griekse vorm van de naam Sanwosret die door vier koningen van de XII-de dynastie (1991-1785 v.Chr.) werd gedragen. Het is onzeker of deze vermelding ook werkelijk teruggaat tot een van deze koningen, of dat de naam alleen maar werd gebruikt om aan te duiden dat iets erg lang geleden plaats vond. Darius I was de koning van Perzië en van Egypte van 522 tot 486 v.Chr. Zoals we zullen zien liet hij na de Perzische verovering die onder Cambyses in 525 plaats vond, het scheepvaartkanaal weer in orde brengen.

Het is verwonderlijk dat Aristoteles vermeldt dat hij het kanaal niet afmaakte, want het is niet juist, en spreekt tegen wat Herodotus hierover schrijft. Het motief van het onvoltooide kanaal op zich lijkt op een werkelijke gebeurtenis terug te gaan, want het kanaal van Pelusium is moeilijk anders te interpreteren, maar de associatie met Darius berust misschien op een verwisseling of kan zijn ingegeven door een anti-Perzische gezindheid.

Herodotus bezocht ongeveer 450 jaar voor het begin van de jaartelling Egypte en tekende vlijtig op wat hem door zijn gidsen werd verteld; soms was dat onzin, wat hij niet altijd opmerkte.

'Psammetichus had een zoon Necho die koning van Egypte werd. Hij was het die begon met het graven van het kanaal naar de Rode Zee, dat door Darius de Pers werd afgemaakt. Het is vier dagreizen in lengte, en het is breed genoeg dat twee triremen er naast elkaar in geroeid konden worden. Het wordt met water gevoed door de Nijl, en gaat een eind bovenstrooms van Bubastis naar de Arabische stad Patumus en komt uit in de Rode Zee.'

Hierna beschrijft Herodotus het kanaal door Wadi Tumilat en het naar het zuiden lopende kanaaldeel dat in de Rode Zee uitmondt, en hij merkt op dat de kortste verbinding tussen de twee zeeën veel korter zou zijn, namelijk 1000 stadiën. Dat dit alternatief serieuze aandacht verdiende was de visie van een Griek, niet die van een Egyptenaar. Iets dergelijks komt ook naar voren aan het einde van hetgeen hij te zeggen had over het kanaal:

'Gedurende de regering van Necho kwamen 120.000 Egyptenaren om bij het graven er van. Toen hij hiermee bezig was, onderbrak hij het werk naar aanleiding van een profetie dat hij werk verrichtte ten behoeve van barbaren. De Egyptenaren noemen allen die een andere taal spreken barbaren'.

Herodotus was kennelijk enigszins geschokt dat de Egyptenaren, net zoals de Grieken dat zelf deden, mensen die een andere taal spreken als 'barbaren' aanduidden. Verder is het bekend dat Necho II, zoon van Psammetichus, een koning was van de XXVI-ste dynastie, en dat hij van 610 tot 595 v. Chr. regeerde. De breedte, inclusief de roeiriemen, van een Griekse trireme was een kleine twaalf meter: het kanaal moet tenminste zo'n dertig meter breed zijn geweest. Het getal van het aantal omgekomen arbeiders is waarschijnlijk een factor tien overdreven.

Dat Necho de eerste zou zijn geweest die het kanaal liet graven is misschien niet alleen maar de gebruikelijke grootspraak van koningen uit die tijd, en dat hij het graven liet stopzetten niet alleen een gebruikelijke overlevering. Het zou namelijk kunnen dat hij de koning was die het onafgemaakte kanaal van Pelusium liet graven. Het zou passen in een strategische conceptie waar ook de verovering van Syrië deel van uitmaakte; hij deed daar een poging toe die bijna slaagde. Het kan natuurlijk zijn dat een andere monarch met dezelfde ambities of belangen het kanaal liet graven, maar koningen van Egypte die geen heerschappij over de Syrische kust voerden waren waarschijnlijk niet gemotiveerd voor het graven van een kanaal van Pelusium naar Suez aan de grens van Egypte.

Het graven van het kanaal van Pelusium zou misschien verklaren waarom de Perzische veroveraar Darius zo'n 70 jaar later blijkbaar een sterk verwaarloosd Nijl-Suezkanaal aantrof, dat hij weer in orde liet brengen. Ook hij stelde dat voor als het graven van een nieuw kanaal. Tenminste, dat lijken de teksten te zeggen op de vier stèles die hij langs het Nijl-Suezkanaal liet oprichten.

Varend van de Nijl naar Suez, staat de eerste van deze bij Tell el-Maskutah, in het oostelijk deel van Wadi Tumilat, de laatste bij Koubri, 6 kilometer ten noorden van Suez. De tweede stond op een heuveltje bij Serapeum, de derde bij het kleine Bittermeer. Deze stèles stonden alle duidelijk zichtbaar aan de rechterzijde van het kanaal. Van de tweede stèle is alleen het voetstuk teruggevonden en van de drie andere zijn de tekstinscripties, die door de egyptoloog Posener grondig zijn bestudeerd, zo ernstig beschadigd dat er eigenlijk alleen maar flarden van leesbaar zijn.

Het schijnt dat na een verkenning van de bevaarbaarheid van het kanaal werd vastgesteld dat het over een afstand van 84 kilometer droog stond. Nu is de afstand tussen de eerste en de vierde stèle ook 84 kilometer, en zoals Posener het met de juiste wetenschappelijke terughoudendheid uitdrukt, 'Het is mogelijk dat dit niet een eenvoudige coïncidentie is'.

Het feit dat de laatste stèle 6 kilometer benoorden Suez staat houdt in, zoals Posener terecht opmerkt, dat de natuurlijke verbinding tussen de Bittermeren en de Rode Zee in die tijd al niet meer bestond, in elk geval niet als een scheepvaartverbinding die het hele jaar bruikbaar was. Toen het kanaal op last van Darius weer in orde was gemaakt, werd er een vloot van tenminste 24 schepen van Egypte naar Perzië gezonden. Het is aannemelijk dat het in stand houden van deze overzeese verbinding voor de Perzische veroveraars van groot belang was. Die laatste stèle gaf waarschijnlijk het begin van het kanaal bij Suez aan, want de schutsluis waarvan de resten door Bourdon ten noord-oosten van die stad werden opgemeten is van later datum.

Diodorus Siculus, een historicus uit de eerste eeuw van onze jaartelling, herhaalt het verhaal van Aristoteles dat Darius het werk liet staken, maar voegt daar nog iets aan toe dat wèl deugt: '... Later legde Ptolemaeus II er de laatste hand aan en hij liet een sluis aanleggen op het gunstigste punt: men opent deze als men het kanaal wil binnengaan en sluit haar vervolgens snel. Het kanaal wordt de stroom van Ptolemaeus genoemd: aan haar monding bevindt zich de stad Arsinoë.'

De regering van Ptolemaeus II van 285 tot 246 vormde het hoogtepunt van de Ptolemaeïsche dynastie: dat hij degeen zou zijn die de schutsluis liet aanleggen lijkt geheel geloofwaardig. Ruïnes in de nabijheid van Suez zijn geïdentificeerd als die van Arsinoë, dus ook wat dat betreft klopt de mededeling. Het bericht van Diodorus wordt aangevuld door zijn jongere tijdgenoot Strabo (63/64 v. Chr. - na 23 A.D.), die het volgende schreef:

'De eerste koning die het ondernam het kanaal te graven was Sesostris, vlak voor de Trojaanse oorlog; volgens anderen was het de zoon van Psammetichus, maar deze vorst kon slechts een begin maken, ... en hij geloofde ook dat geheel Egypte door deze zee onder water zou worden gezet. Maar de Ptolemaeën trokken zich hier niets van aan, en toen de doorsteek was voltooid, sloten ze de vernauwing die op deze wijze was gevormd af met een dubbele deur, op zo'n manier dat men, als men dat wilde zonder moeite het kanaal kon verlaten naar de zee of het kanaal kon binnenkomen van zee uit ...'

De schutsluis zal te klein zijn geweest om de grote schepen door te laten waarmee Cleopatra, nadat ze in 31 v. Chr. samen met Antonius de zeeslag bij Actium had verloren, probeerde naar de Rode Zee te ontkomen. Dat zou verklaren waarom ze daarvoor over land getrokken moesten worden, zoals Plutarchus verhaalt. Het mag niet als een indicatie worden opgevat dat het kanaal weer dichtgeslibd was, want het ging hier duidelijk om een improvisatie, dus een transport over korte afstand. Toen deze operatie door aanvallen van vijandige 'Aziaten' onmogelijk werd gemaakt gaf Cleopatra de poging op en bereidde ze zich voor op het einde, dat van zichzelf en van haar dynastie.

De geograaf Claudius Ptolemaeus vermeldt een meer bovenstroomse aftakking van de Nijl die onder keizer Trajanus (98-117 A.D.) is aangelegd. Deze komt hier verder niet ter sprake omdat het een maatregel ten behoeve van de irrigatie betreft, die noodzakelijk was omdat het land in de loop der tijden was opgehoogd door het Nijlslib, die in feite met de scheepvaartfunctie van het kanaal niet veel te maken had.

Dat het scheepvaartkanaal in de Romeinse tijd toch open was blijkt uit een bericht van de in 125 A.D. geboren schrijver Lucianus. Hij verhaalt dat een reiziger naar India van de Nijl over het kanaal naar Clysma voer, vlakbij het huidige Suez; dat moet omstreeks 170 A.D. zijn geweest.