Een zuur mondje

Maagzuur en zuren in bijvoorbeeld vruchtensap kunnen gebitsslijtage veroorzaken die moeilijk te herstellen is. Fluoride biedt bescherming tegen deze erosie.

Dr. A.H.B. Schuurs, Gebitspathologie; Afwijkingen van de harde tandweefsels. Hoofdstuk 6. Samson Stafleu. Alphen aan de Rijn/Brussel 1988.

A.J. Rugg-Gunn. Nutrition and Dental Health. Hoofdstuk 11. Oxford University Press. Oxford, New York, Tokyo 1993.

Tanden en kiezen in schedels van Neanderthalers of Javamensen tonen vaak sterke afslijting. In vaktermen heet dit verschijnsel attritie. Het werd veroorzaakt doordat deze voorlopers van de huidige mens voedsel nuttigden waarbij het kauworgaan stevig op de proef werd gesteld en de kiezen zo krachtig over elkaar maalden dat slijtage ontstond. Tegenwoordig komt dit verschijnsel veel minder voor doordat we steeds meer voedingsmiddelen gebruiken waarvoor we ons gebit mauwelijks nodig hebben. Maar tandartsen constateren nu vaak dat het glazuur en het tandbeen van onze gebitselementen door het drastisch gebruik van tandenborstels en de slijp- en polijstmiddelen in sommige tandpasta's, gaat slijten. Dit verschijnsel wordt abrasie genoemd. Dergelijke slijtages ontstaan vooral op de wortels en op de kauwvlakken van de kiezen. Bij iedereen die wat ouder wordt, treedt dit op. Maar het wordt vervelend wanneer de slijtage niet veroorzaakt wordt door tandplaque-bacterieën, maar door onze voeding en door de werking van het maagzuur. Vergeleken met tandbederf is dit soort slijtage - erosie - maar een klein probleem. Ruw geschat komt het bij zo'n vijf procent van de bevolking voor. Ziet men cariës meestal op de verborgen plekjes in de mond, tussen de tanden en kiezen of in groefjes op de kauwvlakken, de erosieve aantastingen zijn beter zichtbaar, op de binnenkant van de boventanden en de kauwvlakken van de kiezen. Die plaatsen zien er dan glad, glimmend en gepolijst uit. Als het glazuur zover is opgelost dat het onderliggende, geel gekleurde tandbeen zichtbaar wordt, krijgen de patiënten pijn, opgewekt door zoete, zure en thermische prikkels.

Verder is zo langzamerhand duidelijk dat de neutraliserende werking van het speeksel, die ondermeer berust op de aanwezigheid van bicarbonaat en fosfaat, bij erosie tekortschiet. Dit komt door het aanbod van te veel, sterk zuur of doordat de speekseltoevoer bij personen met sterke erosieve verschijnselen gereduceerd is.

Het geval van de dieetgebonden erosie is al lang bekend. Zo kunnen we in 1912 in een Brits tandheelkundig tijdschrift lezen dat Sicilianen die veel op citroenen zogen vrijwel geen glazuur op hun gebitselementen hadden. Ergens in de literatuur wordt een casus beschreven van een 32-jarige vrouw die elke dag een paar grapefruits at, waarbij ze de vruchten tegen de achterkant van haar voortanden drukte. Na een paar jaar was er vrijwel geen glazuur meer op de binnenkanten van die tanden. Uit onderzoek waarbij de zuurgraad, de pH, in de mond wordt bepaald, bleek dat wanneer mensen vruchtendranken, coca-cola, tonic, azijn en augurken, zure ijzerhoudende medicinale drankjes of andere zure produkten nuttigden de pH van speeksel en plaque zeer snel zakte. Men spreekt dan over pH waarden tussen 2.0 en 3.8. Dit in contrast met de langzame daling van de pH in de plaque als gevolg van suikergebruik.

Een andere oorzaak van erosie is het chronisch oprispen van maagzuur of veelvuldig braken. Door de antiperistaltische werking van de slokdarm komt het zure maagsap, met een pH van tussen 1 en 2, in contact met de binnenzijden van de gebitselementen, waardoor de typische erosieve defecten ontstaan. Bij deze verschijnselen dachten tandartsen in het verleden aan patiënten met maagklachten, aan alcoholisten en tegenwoordig ook aan afwijkingen als boulimie en anorexia nervosa. Tandartsen zijn vaak de eerste medici die deze ziekten ontdekken. Uit een literatuuroverzicht uit 1985 blijkt dat bij een groep van 39 ernstige anorexia-nervosapatiënten 27 van hen sterke tanderosieverschijnselen hadden. Akelig was dat deze personen, meestal vrouwen, door uitdrogingsverschijnselen als gevolg van het vele vomeren, vaak in grote mate vruchtendranken tot zich namen zodat de erosies zowel op de binnenkanten van het gebit als op de wangkanten voorkwamen. Bij deze patiënten ziet men ook licht gezwollen speekselklieren die minder goed werken. Het effect van de voortdurende zuuraanvallen op het gebit kunnen ze niet meer tegengaan.

Het herstel van glazuur en tandbeen is moeilijk en preventie is dan ook het beste. Hoe eerder erosieve verschijnselen kunnen worden gediagnostiseerd des te beter is de prognose. In de loop der jaren is een aantal suggesties gedaan om het risico op het ontstaan van erosie te verminderen, maar met weinig succes. Waarschijnlijk bieden applicatie van een vloeistof met fluoride in de mond, samen met gebruik van fluoride houdende tandpasta de enige bescherming tegen voortschrijdende erosies. Als er toch moet worden behandeld, dan is restauratief ingrijpen met nieuwe vulmaterialen als glasionomeercement een mogelijkheid. Maar wanneer de oorzaak van de afwijking niet wordt weggenomen, zal de erosie om de vulling voortgaan. Een kroon is dan het enige alternatief.