Een hagedis met een slurfje

Teresa C.S. de Avila Pires, 1995. Lizards of Brazilian Amazonia (Reptilia: Squamata). Verschenen in de serie Zoölogische Verhandelingen van het Nationaal Natuurhistorisch Museum, Leiden, nr. 299, 706 pp. Prijs ƒ 114,- excl. BTW. ISBN 90-73239-40-0.

Het ministerie van Buitenlandse zaken (Ontwikkelingssamenwerking) spant zich in om honderd exemplaren van het proefschrift te verspreiden onder taxonomische instituten in Brazilië.

Wie denkt dat na de Conferentie van Rio het onderzoek aan de biodiversiteit een grote impuls heeft gekregen komt bedrogen uit. Zeker in Nederland is het droevig gesteld met de taxonomie. Taxonomen worden helaas en ten onrechte vaak aangezien voor wereldvreemde Prikkebenen. Het vak mist in de ogen van de buitenstaander de dynamiek en de glamour die veel andere disciplines kenmerken.

Op universitair niveau wordt alleen in Leiden en in Amsterdam nog 'ouderwetse' zoölogische systematiek beoefend. Ooit bloeiende vakgroepen als die in Utrecht zijn aan bezuinigingen en inkrimpingen te gronde gegaan. Als gevolg daarvan is er een steeds kleiner wordende groep biologen die zich met systematiek bezighoudt. Ogenschijnlijk is dat alleen maar jammer voor die mensen zelf, maar schijn bedriegt. De systematiek legt de basis waarop al het andere biologisch onderzoek zich afspeelt. Ecologen, ethologen, biochemici, genetici, allemaal houden ze zich bezig met eigenschappen van dier- of plantesoorten. Welke soorten dat zijn, wordt door taxonomen bepaald.

Onderzoekstraditie

Binnen deze teloorgaande Nederlandse onderzoekstraditie is een proefschrift van 706 bladzijden over de hagedissen van het Amazone-gebied een opvallende prestatie. De Braziliaanse Teresa C.S. de Avila Pires (39) die op 17 mei in Leiden promoveerde heeft met 'Lizards of Brazilian Amazonia' een overzicht tot stand gebracht dat meer betekent dan louter dorre beschrijvingen van 97 hagedisse-soorten en ondersoorten. Haar onderzoeksgebied is waarschijnlijk 's werelds meest bedreigde en zeker de meest besproken biotoop. Ontbossing, ontginning, wegenaanleg, mijnbouw, industrialisatie en ongecontroleerde projectontwikkeling bedreigen uiteraard ook de hagedissen. De conclusie van De Avila Pires is na ruim 700 bladzijden dat we nog veel niet weten over de oorsprong en de samenstelling van de Zuidamerikaanse hagedissenfauna en dat we moeten opschieten als we er ooit nog achter willen komen.

Vanaf 1987 heeft De Avila Pires aan het proefschrift gewerkt. Veel veldwerk, vaak uitgevoerd met haar leermeester, dr. Rinus Hoogmoed, die hoofd van de afdeling gewervelde dieren is in het Nationaal Natuurhistorisch Museum in Leiden. En veel contacten met natuurhistorische musea in Noord- en Zuid-Amerika en Europa. Eén van die musea, het Zoölogisch Museum van de Universiteit van Sao Paolo, heeft haar om niet vermelde redenen de toegang geweigerd, een eigenaardige schending van de intermuseale gebruiken. Het staat zeer terloops en tussen haakjes opgemerkt. Een groot deel van de tijd, bijelkaar drie-en-een-half jaar, is hier in Leiden doorgebracht. De vele nauwkeurige soortsbeschrijvingen zijn er het resultaat van.

Een zo dik proefschrift, bestaande uit een inleiding, gevolgd door 578 bladzijden pure beschrijving van de soorten en ondersoorten, biogeografische conclusies, literatuur (19 bladzijden) en een katern kleurenfoto's is uiteraard geen bedlectuur. Daar is het ook niet voor bedoeld. Het werk is in de eerste plaats een naslagwerk, waar de komende 25 jaar niemand die iets met Zuidamerikaanse hagedissen wil doen omheen kan. Alle behandelde soorten staan in een samenvattende determineersleutel, zodat in principe iedere hagedis tussen Caracas en Rio de Janeiro kan worden benoemd. Vervolgens kunnen in het beschrijvende gedeelte de vaak zeer gedetailleerde gegevens worden geraadpleegd.

De kleurenfoto's achterin geven een zeer levendig beeld van de verscheidenheid aan vormen, maten en kleuren van de hagedissefauna. De foto die mij het meest opviel toont een jong mannetje van de nieuw beschreven soort Stenocercus fimbriatus, dat er uit ziet als een wandelend blad. Het dier heeft de lichtbruine kleur van een verdroogd boomblad, compleet met middennerf en zijnerven die als dunne streepjes over de rug lopen. Dit kleine hagedisje - kop-romp lengte nog geen 10 cm - paart zijn uiterlijk aan de gewoonte om bij bedreiging niet weg te rennen maar juist te 'bevriezen', waardoor hij vrijwel onzichtbaar wordt tegen de achtergrond van bladeren op de bosgrond. Nog bijzonderder is het om te lezen dat Stenocercus fimbriatus zijn leefgebied deelt met een krekel die een identiek uiterlijk heeft: lichtbruine vleugels die in dichtgevouwen toestand een afgevallen blad nabootsen. Een klassiek voorbeeld van parallelle evolutie, waarbij milieuomstandigheden tot identieke aanpassingen leiden.

Imponeerfunctiek

We lezen verder over het voedsel van de hagedissen, en dat de dieren zelf weer anderen tot voedsel dienen. Van de zeer kleine soort Anolis fuscoauratus - kop-romp lengte krap 5 cm - werd een exemplaar verzameld uit de maag van een slang! Zelf eten ze insecten, spinnen en ander klein goed. Bij andere soorten heeft men waargenomen dat ze hun eigen huid opeten (na een vervelling uiteraard, een handige vorm om kostbare eiwitten te recyclen), of trof men in de maag de staart aan van een familielid dat verder kennelijk ontkomen is.

Niet bekend

Het proefschrift besluit met een poging de verspreiding van de bijna honderd soorten in algemene patronen te vatten. Er zijn soorten die het gehele Amazone-gebied bewonen, maar ook veel soorten die zich beperken tot het noordelijk, zuidelijk, zuidwestelijk of oostelijk gedeelte. Vooral tussen de oostelijke en de westelijke fauna is veel verschil aanwezig, verschillen die ook te vinden zijn bij andere diergroepen dan hagedissen. De verspreiding van de soorten kan dikwijls worden teruggevoerd tot de periode dat het regenwoud in het Amazone-gebied als gevolg van koelere klimaten ten tijde van de ijstijden was teruggetrokken tot een aantal refugia. Maar, zo concludeert De Avila Pires, veel gegevens ontbreken nog om de enorme biodiversiteit in het Amazone-gebied te kunnen verklaren. En in verband met de snelle teloorgang van het gebied maant ze tot spoed in het verdere onderzoek.