Ecologisch boeren in het Spreewald

Vijf jaar geleden werd het Spreewald, een waterrijk natuurgebied onder Berlijn, geadopteerd door de grote Duitse verzekeringsmaatschappij Allianz, die haar 100-jarig bestaan graag extra luister wilde bijzetten met speciale milieuprojecten. Nu wordt met man en macht gewerkt om dit bijzondere cultuurlandschap, waar het hooi nog per kano naar de koeien gaat, in oude luister te herstellen. In de directe omgeving zijn de grote collectieve staatsboerderijen, waar een veestapel van 15.000 runderen op een kluitje geen uitzondering was, na de Duitse eenwording door de Treuhand opgedoekt en wellicht vormt de nieuwe eco-landbouw een antwoord op de vraag 'Hoe nu verder?' Daarnaast is de hoop gevestigd op nieuwe vormen van wat men hier sanftes Tourismus noemt. In een cartoon in een regionaal krantje wordt dat treffend verbeeld door twee bevers, die een draagstoel met een toerist lopen te zeulen.

Klassiekers

Een kanotochtje door het Spreewald hoort tot de Duitse klassiekers. Al rond 1900 publiceerde de Berliner Morgenpost regelmatig routekaartjes en kanoverhuuradressen. Tegenwoordig trekt het natuurreservaat met zijn labyrinth van kleine slootjes, ooibossen en oeverweitjes jaarlijks zo'n 2,2 tot 4 miljoen toeristen. Bij de schutsluisjes zit je al gauw in een file van platboomschuiten vol gemoedelijke senioren, met op het geruite tafelkleed een bloempot en een fles Schnapps en op de achterplecht een gondelier. Langs de hoofdroute liggen nog oude boerderijen met een heuse hooiberg in de hoek van het erf, dat verder meestal uit een terras-met-Imbiss bestaat.

Niet alleen het natuurschoon trekt de Berlijners aan, maar ook de aanwezigheid van de Sorben. Die vormen een etnische minderheid van 20 tot 50.000 zielen. Ze hebben hun eigen taal - een mengeling van Pools en Tsjechisch - en een eigen Slavische cultuur, die door het toeristenbureau efficiënt wordt vermarkt. Alle opschriften in de dorpen in de regio zijn tweetalig en de Sorbische zang- en dansgroepjes geven de Spreewalderabend een luister waarbij Giethoorn verbleekt.

Toch herbergt het populaire Spreewald nog een grote rijkdom aan zeldzame planten en dieren. Hier broeden kraanvogel, zwarte ooievaar en zeearend. De ijsvogel duikt er naar zijn prooi en op de aangrenzende B115 worden nog met de regelmaat van de klok visotters doodgereden. Er groeien beuken en eiken die honderden jaren oud moeten zijn, de laatste vertegenwoordigers van het oorspronkelijke oerwoud, en in de stille wateren zijn bijzondere plantengemeenschappen te vinden.

Het Spreewald is een oerstroomdal, in de IJstijd gevormd door de rivier de Spree. Deze ontspringt in het bruinkool- en industriegebied de Lausitz en mondt zo'n 380 kilometer verderop bij Berlijn uit in de Havel. De oudste bewoners van het Spreewald stichtten op de door de gletsjers gevormde zandeilandjes (Kaupen) de eerste prehistorische nederzettingen. In de Slavische tijd werd het gebied intensiever benut. De akkers werden opgehoogd, drassiger delen werden als weidegrond benut. In de loop van de Middeleeuwen ging al het oerbos voor de bijl. Het huidige Spreewald bestaat alleen nog uit secundair bos. Hollandse kolonisten kwamen naar Lübenau om er de vlasteelt en de groenteteelt te bedrijven. Recent is er een nieuwe invasie van Hollandse tuinders die hier, gebruik makend van de goede reputatie van de 'Spreewalder Gurke,' goede zaken doen.

Tot in de jaren vijftig waren grote delen van het gebied, dat zo'n 480 vierkante kilometer omvat, alleen per kano bereikbaar. De rivier vertakt zich in een netwerk van stroompjes, tezamen zo'n 1000 kilometer lang. De oevers worden omzoomd door kleurrijke bloemenweitjes en de lucht is gevuld met vogelzang. Op de 3 tot 5 hectare grote zandeilandjes was de bedrijfsvoering traditioneel een hachelijke zaak. De akkers staken maar net boven het water uit en overstromingen, afgewisseld met perioden van grote droogte, leidden vaak tot misoogsten.

Al vanaf de achttiende eeuw is men begonnen kanalen te graven, als transportweg en vooral ook om het hoogwater sneller af te voeren. In de loop der tijd is in het Spreewald een heel stelsel van dijken, sluizen en stuwen aangelegd om de waterhuishouding beter te beheersen. Tijdens een kanotocht door het gebied wijst parkdirecteur dr. Manfred Werban op een houten paal waarop het waterpeil uit 1958 gemarkeerd is, het stond zeker een meter hoger dan nu.

“Ook de waterkwaliteit is nogal veranderd”, vertelt Werban. “Oorspronkelijk was het water van de Spree bijzonder schoon en helder. Nu is het vervuild met kwik, lood en cadmium, gechloreerde koolwaterstoffen en grote hoeveelheden stikstof en fosfaat. De fosfaatverzadigde landbouwgronden slaan door. Bovendien werkt de ontwatering van het veengebied de mineralisatie, het vrijkomen van voedingsstoffen, in de hand en ook dat leidt tot extra belasting van grond- en oppervlaktewater met fosfaat. Verder is het stroombed verbreed, waardoor het water stagneert.”

Dat alles leidt tot een heel andere natuur dan vroeger. De oorspronkelijke blauwgraslanden langs de oever raken met riet en pijpestrootje begroeid en de kwabaal, een vis die zo vet is dat hij vroeger als fakkel werd gebruikt om de keuken te verlichten, wordt nog maar weinig gezien. Maar de visotter komt nog steeds in levensvatbare populaties voor, al weet men niet precies hoeveel dieren er nog zijn. Om het verdrinken van otters in visfuiken tegen te gaan worden keerwanten aangebracht.

Verbossing

Werban: “Vroeger was dit gebied niet erg geschikt om vee te weiden. Op de drassige grond liepen de koeien veel kans op leverbot en andere ziekten. Daarom bleven de koeien meestal op stal en ging de boer het gras met de kano halen. De natste weiden werden alleen gehooid, wat het risico van parasieten vermindert. Geneesmiddelen had men nog niet.”

Veel van dit hooiland is nu in onbruik geraakt en door bos overwoekerd. Dat heeft ook gevolgen voor de visstand, want vanouds trekken de vissen met het stijgende water mee, en bij dalende waterstand keren jonge visjes weer in het gebied terug. Als het terrein helemaal verlandt en met bos begroeid raakt, wordt dit trekpatroon verstoord.

Naarmate onze kanotocht vordert blijkt er steeds meer mis te zijn met dit op het eerste gezicht zo idyllische landschap. Terwijl rechts het bos voortwoekert en de typerende coulissenstructuur van het landschap verloren gaat, is links het andere uiterste te zien: één grote kale uitgeboerde vlakte. Werban: “Hier bevond zich tot 1991 een boerderij van zo'n 3000 hectare. Men bezat 15.000 runderen. Driekwart van het vee stond op stal, alleen het jongvee liep buiten.” Hij wijst op de dijk die, naar Hollands model, rond het grasland is aangelegd. De grond is 40 tot 60 centimeter diep ontwaterd. Men reed hier voortdurend met zware machines rond om voer voor het stalvee te halen. Door de ontwatering is het veen 'verademd' en verdwenen, en het landschap verandert langzamerhand in één groot, ruig biezenveld zover het oog reikt.

Werban: “Deze boerderij is in 1991 door de Treuhand met één pennestreek opgeheven. Alle 15.000 runderen zijn verkocht. Helaas, ook voor ons, want daarmee verdween ook iedere interesse voor het benutten van dit gebied. Ons uitgangspunt is juist, dat mens en natuur harmonisch moeten samengaan.”

Deze lokatie is niet uniek. Tijdens de collectivisatie van de landbouw in de jaren vijftig werden stukken Spreewald ontgonnen. Er werd kaalslag gepleegd, houtwallen werden opgeruimd, slootjes gedempt en onnatuurlijk grote kale landbouwvlakten in gebruik genomen. Daaromheen werden windsingels van niet-inheemse populieren geplant en het land werd diep ontwaterd.

De huidige beheerders hebben zich tot doel gesteld om het karakteristieke, structuurrijke coulissenlandschap, waar het Spreewald beroemd om was, in ere te herstellen. Als vuistregel geldt, dat men een derde van het gebied weer als weidegrond in gebruik wil nemen. Onlangs werden met EG-subsidie 1200 Galloway-runderen aangeschaft, een primitief, winterhard ras, dat momenteel zeer populair is voor slacht en fok. Verlande slootjes worden weer uitgegraven, de oude populierensingels, die op instorten staan, worden opgeruimd. Boeren krijgen subsidie om de traditionele landbouwmethoden voort te zetten, de onrendabele bloemrijke hooilanden te blijven hooien, knotwilgen te knotten, ooievaarshorsten te plaatsen enzovoorts. In 1994 werd daarvoor 1,05 miljoen D Mark uitgekeerd uit het Allianz-fonds. De landbouw wordt ook als toeristische attractie uitgebuit. Geneeskrachtige kruiden en vergeten gewassen als mierikswortel, gierst en boekweit verschijnen in het teeltplan. Bovendien worden er allerlei nieuwe kanoroutes uitgestippeld en informatiecentra ingericht.

Het Spreewald werd in 1990 uitgeroepen tot biosfeerreservaat, een predikaat van de Unesco. Er bestaan 320 biosfeerreservaten in de wereld. Het Spreewald bestaat voor maar twee procent uit echte 'oernatuur', waar niemand een voet mag zeggen. 15 procent is beschermd natuurgebied, waar je wel komen mag, mits je je aan de uitgezette routes houdt. De rest is ontwikkelings- en regeneratiegebied, zo ook de voormalige collectieve landbouwgronden.

Werbaum: “Om het gebied te herstellen moet men zoveel mogelijk de natuurlijke stroomdynamiek zien terug te krijgen door de rivier haar oorspronkelijke loop weer terug te geven. De belasting met voedingsstoffen, ook uit diffuse bronnen, moet drastisch omlaag. Om de algenbloei in het water de baas te worden willen we de landbouw extensiveren en de bemestingspraktijken veranderen. Ook denken we aan herstel van laagveenmoerassen langs de oevers, aanleg van kleine meertjes en oeverrandzones.”

Op onze terugtocht aan het eind van de middag, begeleid door het gejodel van de wielewaal, verschijnt ineens een merkwaardig dier, lang en slank, in een prachtige roodbruine pels. Het zwemt kalmpjes dwars voor onze boot langs en verdwijnt aan de oever onder een omgewaaide boomstronk. Wat was dat??? Een ontsnapte nerts? Een bisamrat of een otter misschien? Volgens onze gids was het inderdaad een otter. Eigenlijk zijn otters nachtdieren, maar het is inmiddels kwart over vijf, zegt hij, en alle Duitsers, of ze nu werken of op vakantie zijn, gaan altijd pünktlich om vijf uur naar huis. Kennelijk zijn die otters daar op ingesteld geraakt. Zelf heeft hij de otter hier maar één keer eerder gezien, en zijn collega, die het beroemde zoogdier anderhalf jaar lang als studieobject had, zelfs nog nooit. “Dit durf ik hem niet te vertellen.” Amper een kwartier later verschijnt er nog zo'n beest. Exact dezelfde fraaie pels, dezelfde snuit. Het duikt ineens uit het water op en is in een flits weer verdwenen. Niemand anders heeft iets gezien. De twijfel blijft knagen.