De deuren van Hotel Africa gaan straks voorgoed dicht

MONROVIA/ ACCRA, 8 JUNI. In het gebouw van de Afrikaanse eenheid slaan Afrikanen elkaar geregeld voor de rest van hun leven ongelukkig. Hotel Africa in de Liberiaanse hoofdstad Monrovia werd aan het begin van de jaren zestig gebouwd ter gelegenheid van een vergadering van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAE). De moderne architectuur moest een heraut zijn van de toekomst van eenheid en welvaart die het continent na de onafhankelijkheid wachtte. Achter het spreekgestoelte werd menig Afrikaans leider een beetje opgewonden als hij uiteenzette hoe de onafhankelijkheid zijn natie zou opstoten in de vaart der volkeren.

Weinig in het hotel herinnert meer aan dat lonkende perspectief van welvaart en eenheid. De telefoons werken niet meer, het binnenzwembad ligt droog en de fontein van de Afrikaanse eenheid is geheel aan gruzelementen geslagen. Omdat er nauwelijks elektriciteit meer is in het al zes jaar door burgeroorlog getroffen Liberia, is het zetten van een kopje koffie al welhaast een onmogelijke opgave. Er is in het land geen door alle partijen erkende centrale regering meer en het hotel is in bezit genomen door vertegenwoordigers van de diverse gewapende facties. “Elke factie heeft zijn eigen vleugel in het hotel”, vertelt de Nederlander Auke Wijkstra, die het hotel al enkele jaren drijft. “Als er een hoge piet van een factie aankomt, worden de anderen vaak onrustig. Ze organiseren dan bewakingsdiensten en sluiten hun vleugel af omdat er vaak rake klappen vallen.” Van alle gasten in het hotel betalen er nog slechts twee hun rekening. Het hotel blijft mede draaien door de opbrengsten van gokautomaten.

Bijna veertig jaar na de onafhankelijkheid is de stemming in veel Afrikaanse landen gedrukt. Aan het begin van de jaren zestig hadden vele Afrikanen hooggespannen verwachtingen over de toekomst van het continent. De 'imperialistische grootmachten' hadden hun koffers gepakt en konden de ontwikkeling van Afrika niet langer meer negatief beïnvloeden, zo werd er gedacht. Het geloof van staatslieden als de Ghanees Nkrumah en de Senegalees Senghor dat er een specifieke Afrikaanse persoonlijkheid bestond, vond in grote kringen aanhang. De Afrikaan, 'van nature' altruïstisch en democratisch en niet gecorrumpeerd door het Westerse materialisme, zou zijn continent tot voorbeeld maken voor de hele wereld.

Afrika lijkt volgens veel waarnemers nu minder op een gelukzalige droom dan op een pijnlijke nachtmerrie. Het aantal democratieën is op de vingers van één hand te tellen. Het continent verarmt en wordt geteisterd door honger en ziekte. De panafrikaanse gedachte heeft Afrikaanse leiders er geenszins van weerhouden om mede-Afrikanen op bloedige wijze af te slachten. Voor grote delen van de publieke opinie buiten het continent is Afrika weer geworden tot wat het voor de koloniale grootmachten aan het einde van de vorige eeuw al was: de totale ontkenning van cultuur en beschaving, het ultieme 'Heart of Darkness'.

In Liberia denken sommigen nog wel eens terug aan de euforie over de onafhankelijkheid aan het begin van de jaren zestig. “Voor de Afrikaanse leiders was onafhankelijkheid het tovermiddel dat alle problemen van hun land zou oplossen. Wij wisten wel beter. Liberia was al langer dan een eeuw onafhankelijk en wij wisten toen al een aantal dingen die anderen in Afrika nu door schade en schande hebben geleerd”, aldus de Liberiaanse econoom Professor Tipoteh. “Onafhankelijkheid heeft geen zin als het land wordt bestuurd door een politieke klasse die het land niet wil ontwikkelen maar uitsluitend zichzelf wil verrijken en heult met buitenlandse maatschappijen die het land uitbuiten.”

Aan de noodzakelijke voorwaarden voor 'echte' ontwikkeling werd in Afrika ten tijde van de onafhankelijkheid niet of nauwelijks voldaan. Liberia had bloeiende rubberplantages maar de winsten die daar werden gemaakt, verdwenen in de zakken van Amerikaanse maatschappijen als Firestone. Interesse om Liberia te ontwikkelen hadden de maatschappijen niet: in het hele Firestone-gebied was er tot ver na de Tweede Wereldoorlog geen enkele middelbare school. In Liberia zelf maakte een kleine groep afstammelingen van vrijgelaten Amerikaanse slaven, de zogeheten Americo-Liberians, de dienst uit. Zij vulden hun dagen met het onderdrukken van de autochtone bevolking en het doorsluizen van geld naar hun Zwitserse bankrekeningen. In 1984 waren de Liberiaanse privé-tegoeden op Zwitserse bankrekeningen groter dan de buitenlandse schuld van het land. Het systeem fungeerde als een kastestelsel met de achternaam als sociaal ijkpunt. “Als je geen Grant of Johnson heette kon je het wel schudden”, aldus Ben Sayeh, die politieke wetenschappen doceert aan de universiteit van Monrovia. In 1980 barstte de bom: de toenmalige president Tolbert werd in zijn bed door militaire samenzweerders aan stukjes gesneden. Zijn opvolger, luitenant Samuel Doe, bestuurde het land tien jaar totdat hem in 1990 een soortgelijk lot ten deel viel. Sindsdien wordt het land geteisterd door een aanhoudende guerrilla-oorlog tussen een aantal milities.

In Monrovia wordt duidelijk hoezeer een eeuw van onharmonische sociale verhoudingen de maatschappij heeft verziekt. Politici gebruiken termen als 'democratie' en 'nationaal belang', maar het zijn loze kreten zonder inhoud. De minister van financiën in de interim-regering, Dr. S. Byron Tarr, houdt een gloedvol betoog over de “noodzaak om een duurzame basis te verschaffen aan de Liberiaanse economie”. “Als het straks vrede is, moet Liberia aantrekkelijk zijn voor buitenlandse investeerders.” De minister reageert furieus op de beschuldiging dat een recente poging van Nederlandse bedrijven om in de palmolie-industrie in het land te investeren, misliep omdat hij te veel steekpenningen vroeg. Na lang aarzelen stemt hij in met een onderhoud. Op de dag van de afspraak blijkt hij niet op het ministerie aanwezig.

Zijn collega van arbeid, Tom Woewiya, “gelooft in democratie en heeft altijd gevochten om het lot van de gewone Liberiaan te verbeteren”. Eerst deed hij dat in de NPFL-militie van Charles Taylor, maar toen deze “megalomaan” werd, richtte de minister zijn nieuwe “revolutionaire organisatie” op. Dat Taylor hem inmiddels ter dood heeft veroordeeld, deert hem niet. “Ik vecht voor mijn volk zelfs als dat de dood tot gevolg heeft”, zegt hij terwijl hij een bestelling op officieel briefpapier van het ministerie ondertekent voor zo'n zestig sloffen sigaretten die, in een jeep van de Westafrikaanse vredesmacht in Liberia, bij hem thuis moeten worden bezorgd.

Af en toe protesteert de bevolking tegen het wangedrag van hun politici. Vorig jaar, na een massamoord in Paynesville, een voorstad van Monrovia, waarbij 48 Liberianen werden afgeslacht, trok een groep demonstranten op naar Hotel Africa. Honderden Liberianen scandeerden leuzen voor vrede en staken aan het einde van de tocht de auto van een minister van de interim-regering in brand. Het protest kreeg echter geen vervolg en de minister was nauwelijks onder de indruk van het verlies van de auto. “Ik importeer zo een nieuwe uit Europa”, zo kreeg een buurman te horen. Later bleek dat het protest was georganiseerd door een van de Liberiaanse milities.

Meestal echter is het protest dat van de onderworpene, dat van de slaaf die er in zijn ketens nog het beste van probeert te maken. “In Liberia is absoluut geen arbeidsmoraal”, zegt Leo van der Velden van het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties. “Iedereen wantrouwt hier zijn werkgever. Het is gebruikelijk dat ondergeschikten hun bazen bestelen. Als je dat niet doet word je beschouwd als een sul.” Niemand is geschokt als blijkt dat de telefoonrekening uit het presidentiële paleis maandelijks duizenden Amerikaanse dollars bedraagt. “Maak je maar geen zorgen, ze betalen hem toch niet”, aldus de Liberiaan Kardea Woodson die de burgeroorlog al vanaf het begin volgt.

Hulpverleners, uit idealisme naar Liberia gekomen, zijn geschokt als ze ontdekken dat het land niet 'toevallig' door de burgeroorlog is getroffen maar dat het kwaad zich diep in de ziel van de maatschappij heeft genesteld. Medewerkers van het Wereldvoedselprogramma vertellen verbitterd hoe Liberiaanse ontheemden rijst eisen en weigeren om gierst te eten omdat hun magen daar niet tegen zouden kunnen. Ook het vermeende gebrek aan wil van de ontheemden om in hun eigen levensonderhoud te voorzien wordt zwaar gekritiseerd. “Kijk eens naar die moerassen”, zegt de Oegandees Musa Abiriga van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR) als het vliegtuig de luchthaven van Monrovia nadert. “Zet er honderd Vietnamezen neer en in een jaar tijd heb je een prachtige oogst.” Uitgeput door het vochtige tropische klimaat nemen de expats in de paar cafes die Monrovia nog rijk is, 's avonds voordat de avondklok ingaat de desillusies van de dag door. Een enkeling probeert vrede te sluiten met het hier en nu, door 'Liberia' als eerste stap te zien in een glanzende hulpverleningscarrière. Anderen zwijgen en drinken.

Van enig effectief bestuur is allang geen sprake meer. De telefoon is dood en de post wordt niet meer bezorgd. Er is in Monrovia nog één bank waar je geld kunt wisselen. Ambtenaren worden niet meer betaald en sprokkelen geld bij elkaar door het verlenen van 'diensten'. Bij het controlepunt Virginia op weg naar het ontheemdenkamp VOA (gelegen bij de Amerikaanse zender The Voice of America) controleert kolonel Newton nauwgezet de paspoorten van alle buitenlanders die voorbij komen. Als er een stempel ontbreekt begint een spel van kat en muis. “U overtreedt de wetten van de soevereine republiek Liberia”, zegt hij. “Ik zou u eigenlijk moeten arresteren.” Als de kolonel smeergeld krijgt aangeboden, laat hij dat plan al snel varen. “Vergeet u niet dat ik uw vriend ben, ik wilde u alleen maar helpen”, roept hij als de auto wegrijdt. Iedereen in Liberia die ook maar enigszins geld heeft, is inmiddels vertrokken. Het opstoten van Liberia in de vaart der volkeren laten zij graag over aan hun achtergebleven landgenoten.

In Liberia's buurland Ghana wordt geïrriteerd gereageerd als Liberia wordt opgevoerd als paradigma van het moderne Afrika. “Er zijn al genoeg afschuwelijke verhalen over Afrika. Kijkt U ook eens naar de succesverhalen”, aldus Ibn Chambas, de nummer twee van het Ghanese ministerie van buitenlandse zaken.

De regering in Accra is van mening dat Ghana zo'n succesverhaal is. Het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking neemt elk jaar toe, en dat ondanks de hoge bevolkingsgroei van ongeveer 3 procent. “We hebben een democratie en het land is stabiel”, aldus Chambas. “We zouden als voorbeeld voor Afrika kunnen dienen.”

Het is niet de eerste keer dat Ghana die voorbeeldfunctie wil vervullen. Juist na de onafhankelijkheid had het land die pretentie ook. Erg veel reden om stil te staan bij die eerste poging heeft het land echter niet. “De ster van Afrika', zo werd Ghana genoemd toen het in 1957 als eerste op het Afrikaanse continent na de Tweede Wereldoorlog onafhankelijk werd. Het inkomen per hoofd van de bevolking ten tijde van de onafhankelijkheid was net zo hoog als dat in Spanje. De staatskas puilde uit en de bloeiende cacaoteelt leek borg te staan voor een periode van voortdurende welvaart. Als Afrika een voorbeeld zocht dan was Ghana een zeer geschikte kandidaat.

De politicus en filosoof Kwame Nkrumah deed er alles aan om deze functie van 'gidsland' te onderstrepen. Zijn theorieën over de 'Afrikaanse persoonlijkheid' leken het continent de mogelijkheid te bieden de weg terug te vinden naar een niet door het kolonialisme geperverteerde, 'authentieke' manier van leven. Zijn socialisme leek borg te staan voor een snelle industrialisatie die de uitwassen van het 19de eeuwse Europese kapitalisme zou vermijden. En zijn panafrikanisme toonde aan dat Ghana bereid was om het voortouw te nemen bij de politieke eenwording van het continent.

Het eindigde in chaos. Financieel wanbeheer, een slecht economisch beleid en het instorten van de cacaomarkt brachten het land al snel aan de bedelstaf. De in 1957 nog als zo vriendelijk en altruïstisch overkomende Nkrumah ontpopte zich al snel als een dictator die er door zijn “van nature democratische” Afrikaanse persoonlijkheid niet van weerhouden werd politieke tegenstanders op te sluiten in concentratiekampen.

De politieke klasse werd spilziek en corrupt. Een van Nkrumahs ministers, Krobo Edusei, toog, toen zijn potentie wat te wensen overliet, naar Londen om voor zijn vrouw ter compensatie een bed van massief goud te kopen. Nkrumahs 'industrialisatie door importsubstitutie' werd het land een molensteen om de nek. Kostbare valutareserves werden uitgegeven aan de import van kapitaalgoederen voor industrieën die toch niet met die in het Westen konden concurreren. Nkrumahs opvolgers konden de verloedering van het land geen halt toeroepen. Toen in 1983/1984 droogte en bosbranden het land verlamden leek de teloorgang van Ghana compleet.

Het toenmalige marxistische regime had geen andere keuze dan aan te kloppen bij de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds voor financiële hulp. Conditio sine qua non voor de hulp was dat Ghana de overheersende rol van de overheid in de economie terugdrong en het primaat toekende aan het privé-initiatief. Al snel maakte het Ghanese bewind van de nood een deugd. “Minder staat en meer markt is al tien jaar ons credo”, aldus de minister van economische zaken, Kwesi Botchwey. “We doen er alles aan om de juiste omgeving te creëren om buitenlandse investeringen binnen te halen.”

Van de panafrikaanse erfenis van Nkrumah is in de hoofdstad Accra weinig meer te merken. “Waar kom je vandaan”, vraagt een automobilist aan een meisje dat bedelt. “Uit Tsjaad”, antwoordt zij. “Wanneer ga je weer terug”, riposteert de automobilist onmiddellijk. Ghanezen morren al tijden over het geld dat hun regering besteedt aan de vredesoperatie in Liberia. De video over de Liberiaanse burgeroorlog waarop te zien is hoe Liberianen worden gemarteld en vermoord, is al jaren een bestseller in het land.

Ook Nkrumah's ideeën over het glorieuze pre-koloniale verleden zijn inmiddels afgezworen. In het museum bij het fort van Cape Coast wordt, met financiële steun van de UNESCO, een film vertoond over het verleden van Afrika en meer in het bijzonder van Ghana. De schoolklas die het allemaal aanziet laat de lofzang op de pre-koloniale geschiedenis van het continent eerst geduldig, zij het met enig ontevreden gemompel, over zich heen komen. Pas als de commentaarstem zegt dat “onze meisjes vroeger leerden om zich door sport en spel te ontwikkelen” en beelden worden vertoond van een groep schaars geklede meisjes die zich bezighouden met een wilde danspartij, slaat de stemming geheel om. De kinderen barsten uit in een luid gelach. Een meisje legt beschermend haar hand op haar rok.

De Ghanese regering wil van Ghana graag het Singapore van West-Afrika maken, een moderne op kapitalistische leest geschoeide staat waarin hardwerkende werkneners in harmonie met hun werkgevers er alles aan doen om de produktiviteit te verhogen. In gesprekken met politieke functionarissen in Accra meten dezen de plusplunten van het land breed uit. Het land heeft goud, hout en andere delfstoffen, de bevolking is vriendelijk en werkt hard, het politieke klimaat is stabiel, er is een investeringscode die het voor buitenlandse investeerders aantrekkelijk maakt om naar Ghana te komen. Excessieve begrotingstekorten zijn teruggedrongen, tariefmuren afgebroken en overbodige ambtenaren zijn afgevloeid. “De macro-economische basisvoorwaarden voor economische groei en het aantrekken van buitenlandse investeringen zijn vervuld”, aldus Botchwey. Onlangs huurde het bewind het reclamebureau Saatchi en Saatchi in om die boodschap bij potentiële buitenlandse investeerders te onderstrepen.

Regeringsfunctionarissen hanteren inmiddels een vocabulaire dat de gemiddelde Westerse ondernemer niet vreemd in de oren zou klinken. “Ik weet dat het mimimumloon in Ghana niet hoog is”, aldus de minister van arbeid, P.V. Boateng, die zijn politieke carrière als marxist begon en geruime tijd een hoge functie vervulde in de vakbond. “Maar wat je arbeidskrachten kunt uitbetalen wordt bepaald door hun produktiviteitsniveau.” Op de televisie wordt er geen revolutionair jargon meer gebezigd, maar heeft de nieuwslezeres het over een “taakstelling” die “door efficiënt werken” op “korte termijn bereikt” dient te worden.

In Accra heeft tien jaar 'economisch herstel' zeker zijn sporen nagelaten. Op vele plaatsen langs de weg worden draagbare telefoons verkocht. “Ben je elk moment van de dag te bereiken”, aldus een verkoper. Het wegennet in en rond Accra is verhard en uitgebreid en op ettelijke plaatsen is enkele uren per dag, zoals Ghanese functionarissen met trots vermelden, zelfs sprake van filevorming.

Bij nader inzien blijkt het economische wonder echter nogal wat schaduwzijden te hebben. Na tien jaar structurele aanpassing trekt het land minder buitenlandse investeringen aan dan Vietnam, dat zijn grenzen ook pas enkele jaren heeft opengesteld. “Als Afrikaans land moet je nu eenmaal een zekere tijd bewijzen dat je politiek stabiel bent voordat je een toestroom van investeringen krijgt”, aldus Botchwey. Over de aard van de investeringen die Ghana binnenstromen, bestaat ook gerede twijfel. “Buitenlandse maatschappijen ontginnen alleen maar onze grondstoffen”, aldus Dr. Tutu van de universiteit van Legon in Accra. “De grondstoffen worden in het buitenland bewerkt en niet in Ghana. We verpatsen onze hulpbronnen. Ghana kent groei zonder ontwikkeling.”

Voor de armen in Ghana heeft het economische wonder nog niet al te veel opgeleverd. Uit onderzoek blijkt dat het reële inkomen per hoofd van de bevolking in 1986 slechts 29% van dat in 1975 bedroeg. “De levensstandaard van de gemiddelde Ghanees ligt maar net boven die van 1983/4”, aldus Tutu. In dat jaar bereikte de cacaoprijs een dieptepunt en werd het land geteisterd door bosbranden. Tot overmaat van ramp liet buurland Nigeria toen de panfrikaanse gedachte even voor wat zij was en stuurde binnen enkele weken een miljoen Ghanezen terugs naar hun moederland. Het aantal banen in de 'formele' sector is de laatste tien jaar afgenomen. Langs de kant van de weg proberen honderden Ghanezen een ijsje, een doekje of een spiegel te slijten aan de voorbijrijdende automobilist. Velen overwegen om 'de ster van Afrika' voor altijd te verlaten. Onlangs gaf de Nederlandse regering apparatuur aan de Ghanese douane om de echtheid van paspoorten beter te kunnen controleren. Bij de consulaire afdeling van Westerse ambassades in Accra staat iedere dag een lange rij.

In Liberia moet professor Tipoteh lachen als hij hoort dat Ghanese functionarissen hun land de voorhoede achten van een 'nieuw' Afrika. “Wat er nu in Ghana gebeurt doet me erg denken aan Liberia in de jaren zestig. Buitenlandse maatschappijen roven het land leeg. Een kleine elite werkt met hen samen en wordt steeds rijker, de grote meerderheid van de bevolking zakt echter terug in grote armoede. Op termijn gaat dat mis, juist zoals het in Liberia misging.”

De eerste scheuren in het Saatchi- en Saatchi-beeld van Ghana zijn inmiddels opgetreden. In het ministerie van economische zaken, brandpunt van de modernisering van Ghana, zijn de ambtenaren inmiddels in staking gegaan. Bij een demonstratie tussen aanhangers van de regering en de oppositie vielen er onlangs vijf doden. In het noordoosten van het land neemt het etnische geweld tussen de Konkombas en vooral de Nanumbas toe.

In Hotel Africa in Monrovia maken de zaakwaarnemers zich weinig illusies meer over de toekomst van hun etablissement. “We dachten op een gegeven moment dat de facties serieus zouden proberen om vrede te sluiten, maar daar geloven we nu niet meer in”, aldus Alex Waalwijk die het financiële beheer voor zijn rekening neemt. De sfeer rondom het hotel is de laatste maanden alleen maar slechter geworden, aldus Waalwijk. Toen hij werd bestolen door een houseboy en geld moest neertellen om politieagenten te overreden om een andere dief mee te nemen naar het politiebureau, was voor hem een keerpunt bereikt. Binnenkort komt hij terug naar Nederland. Net als zijn baas, Auke Wijkstra, verwacht hij dat Hotel Africa binnenkort de deuren sluit. Voorgoed.

    • Bernard Bouwman