Archeologie van het toerisme

Terugkerend van vakantie uit Italië haalde ik ter hoogte van Ulvenhout een vrachtwagen in die afkomstig bleek te zijn van het Expeditiebedrijf Van Egeraat. Bij het zien van die vrachtwagen ging er een schok door mij heen, niet vanwege dat expeditiebedrijf, maar vanwege de naam: Van Egeraat. Die naam is immers onverbrekelijk verbonden met reisgidsen en met Italië. Zo werd, voor een ogenblik althans, alles een: vakantie, Italië, Van Egeraat en Ulvenhout, zijn woonplaats.

Dr. L. van Egeraat genoot in de jaren vijftig en zestig landelijke bekendheid als auteur van een groot aantal reisgidsen. Hij had, meen ik, enige tijd een televisie- of radiorubriek en stichtte, als ik het mij goed herinner, een Toerisme-akademie. Zijn fanmail omvatte tweeduizend brieven per week. Dat alles is nu voorbij en dr. van Egeraat is niet meer onder ons, maar zijn werk leeft voort. Scripta manent.

Bij die geschriften denk ik overigens niet in de eerste plaats aan zijn proefschrift. Sommige jeugdige lezers zullen wellicht denken dat Dr. L. van Egeraat gepromoveerd was in de Toeristische Studies of de Vrijetijdswetenschappen, maar dat is niet zo. In de jaren vijftig, want daar heb ik het nu over, bleef promoveren beperkt tot ernstige vakken, al herinner ik mij ook een school waar slechts één docent de doctorstitel had behaald, namelijk de gymnastiekleraar. Het verhaal ging dat deze in België was gepromoveerd in de lichamelijke opvoeding; ik geloof op de didactiek van het vogelnestje.

Niet echter aldus Van Egeraat. Hij studeerde sociale en politieke wetenschappen in Tilburg en verwierf in 1951 de doctorsgraad te Rotterdam op het proefschrift Engeland, de Labour Partij en Europa. In zijn dissertatie toonde Van Egeraat al enkele van de volkenkundige inzichten waarin hij later zou excelleren. Zo weidde hij met graagte uit over het Engelse volkskarakter. Hij noteerde bijvoorbeeld dat de Engelsman geen 'gevoelsintegratie' tot stand kan brengen en daardoor een koele indruk maakt: “Het uiten van gevoelens is 'not done' en het tot stand brengen van een existentiële ontmoeting met een Engelsman is daarom niet eenvoudig”. Hieruit volgt de eenzaamheid van de Engelsman: “Een Engelsman - en zeker een in Londen - is het meest eenzame schepsel ter wereld”. Toch was het niet als econoom, historicus of antropoloog dat Van Egeraat nationale faam verwierf, maar als de grondlegger van het moderne en toch beschaafde toerisme. Van Egeraats grootste succes kwam met zijn reisgidsen over Italië en hoewel hij later menig ander land onder de loep zou nemen, bleef Italië toch het land van zijn voorkeur.

Zijn liefde voor dit land verklaart wellicht dat zijn gidsen zo'n wonderlijk mengsel van informatie en evocatie bevatten. Zo aarzelt Van Egeraat niet over Florence te schrijven: “op geen plaats ter wereld ontroert de tover van het verleden de mens zo onmiddellijk als in Florence. De ernst van Dante, de liefelijkheid der vroegrenaissance, de melancholie van de bovenmenselijke Michel Angelo zweven als een gouden wolk boven de stad, zoals bij zonsondergang het koor der klokken over de stad klinkt”. Om deze passage onmiddellijk te laten volgen door de mededeling dat de knopjes van de altaarverlichting zich achter het wijwatervat bevinden en een muntstuk van honderd lire vereisen.

De Ulvenhoutse Baedeker was echter niet zomaar een gids, maar ook een volksopvoeder. Hij hield niet van slordig gedrag en al helemaal niet van gelummel. Het eerste blijkt bij voorbeeld uit zijn aanwijzingen over de voor de toerist gewenste kleding. “De kwestie van de goede kleding”, zo schrijft hij, “is juist in Italië buitengewoon belangrijk. De Italianen hechten zeer veel waarde aan de uiterlijke verschijning. (...) Ziet U een man in een korte broek, dan kan hij geen Italiaan zijn. (...) Ook opgestroopte mouwen zijn ongepast, zelfs het lid van de lagere middenstand kleedt zich met een jasje en een zelfbinder.” Van Egeraat hield evenmin van lummelen, jakkeren en onvoorbereid rondtoeren. De toerist dient zich deugdelijk op zijn reis voor te bereiden, liefst tijdens de lange winteravonden, en er de nodige tijd voor uit te trekken. Van Egeraat had een grondige hekel aan jachtige toeristen die Italië in een paar weken wilden 'doen' of Florence in een paar dagen. Vooral op dit laatste punt is de doctor angelicus resoluut, zij het niet zeer exact. Zo schrijft hij in de Inleiding van zijn Gids voor Italië over Florence: “Bedenk echter wel, dat ge in minder dan drie à vier dagen weinig van de stad begrijpen zult”. In de 'Toeristische wenken' over Toscane lezen we daarentegen: “Ik spreek natuurlijk niet over het feit dat sommigen de illusie hebben om deze stad in minder dan drie dagen te leren kennen. Elke goede Italiëreiziger immers beseft, dat men tenminste vier dagen voor Florence dient uit te trekken”.

In de 'Praktische wenken' over Florence ten slotte staat: “In de tweede plaats moge ik nogmaals adviseren om een verblijf in Florence niet korter te maken dan 3 à 4 dagen als absoluut minimum. Gaat dat niet, laat dan liever de stad links liggen en bezoek kleinere plaatsen die iets minder tijd vergen”. Hoeveel lezers zullen zich niet na drie dagen vertwijfeld hebben afgevraagd of ze nu wel of niet weg mochten.

Toch dient, ook volgens de reisdoctor, bij alle aandacht voor kunst en cultuur de menselijke kant niet te worden vergeten. Het gaat er niet om 'in Italië te zijn geweest', maar iets van Italië te hebben begrepen. Daarom moet men zich onder het volk begeven en persoonlijke gesprekken voeren. Daarom ook wordt sterk aangeraden de kinderen mee te nemen naar Florence. “Florence is zeer geschikt voor een langdurig verblijf met kinderen. (...) Terwijl men dan zelf, zittend voor een simpel cafétje, met de mensen praat, laat men de kinderen met de Italiaantjes touwtje springen en andere spelletjes doen.(...) Zo maakt U kennis met het lévende Florence en met de (...) Florentijnse mens. Laat er kerken en musea gerust voor schieten.”Ik weet niet of veel ouders van toen deze aanwijzingen hebben gevolgd, maar ik geloof in ieder geval niet dat veel ouders van nu dit zullen doen. Reizen met Van Egeraat is geworden tot reizen in de tijd. De goede man uit Ulvenhout is voor ons iemand uit een andere wereld, een wereld van paternalisme en provincialisme, van orde en rust, gezag en fatsoen. Bij Van Egeraat zien we harmonische en netjes geklede gezinnen per trein naar en door Italië reizen, op zoek naar kunst en cultuur en naar de discrete charme van het zuidelijke leven. Andere volken zijn vreemd en anders, maar wij moeten hen niet vrezen, doch juist onder deskundige leiding leren kennen en waarderen. Toerisme is de voortzetting van het onderwijs met andere middelen. Van Egeraat is, kortom, een typische exponent van het Bildungsbürgertum. Zijn boeken blijven daarom een belangrijke bron van kennis voor de archeologie van het toerisme.

    • H.L. Wesseling