Advies onderzoekers: niet zo bang zijn voor risico's demonstraties

UTRECHT, 8 JUNI. De overheid moet minder bevreesd zijn voor het risico van ordeverstoringen bij demonstraties. De trend om demonstraties op die gronden te verbieden moet worden omgebogen. Een demonstratierooster waarbij per dag slechts één risicovolle betoging is toegestaan kan daarbij van nut zijn. De bestaande praktijk om demonstraties van extreem-rechts eerder te verbieden dan die van linkse groeperingen moet worden heroverwogen.

Deze aanbevelingen doet het Crisis Onderzoek Team van de universiteiten van Leiden en Rotterdam na een onderzoek naar de gebeurtenissen op 4 maart in Utrecht. De burgemeester van Utrecht, I. Opstelten, had die dag een algeheel demonstratieverbod afgekondigd omdat hij confrontaties vreesde tussen aanhangers van CP'86, die een demonstratie had aangekondigd, en tegenbetogers. In totaal werden 162 mensen opgepakt, onder wie slechts een viertal van rechtse signatuur.

Een aantal betogers werd opgepakt op grond van het zogenoemde uniformverbod - artikel 435a van het Wetboek van Strafrecht - waarbij mensen op grond van uiterlijke kenmerken, zoals kleding, kunnen worden aangehouden. Vooral de toepassing van dit artikel dat in de jaren dertig werd geïntroduceerd in de strijd tegen de NSB ontmoette veel kritiek.

Ook de aanhoudingen op grond van het demonstratieverbod zijn kwestieus, concludeert onderzoekster W. Overdijk, aangezien een voornemen tot demonstreren nog niet voldoende grond is voor arrestatie. Niettemin waren de Utrechtse autoriteiten mede gezien de opvattingen in bestuurlijk Nederland en de publieke opinie gedwongen om een demonstratieverbod uit te vaardigen, aldus Overdijk. Daarbij speelden ook de ongeregeldheden in Rotterdam, een week tevoren, en de bezetting van het stationsemplacement door studenten in Utrecht een rol. Burgemeester Opstelten, hoofdofficier van justitie R. Berger en korpschef J. Wiarda onderschrijven in grote lijnen de conclusies van het onderzoek.