Wit-Russen verheugen zich op Oranje-spel van Litmanen

MINSK, 7 JUNI. Zijn spijkerbroek is versleten, zijn jack zit te krap, zijn schoenen zijn afgetrapt. Voetballiefhebber Mjetsjislav Bogdankjevitsj staat voor de ijzeren poort van het gigantische stadion van Dynamo Minsk, waar vanavond de interland tussen Wit-Rusland en Oranje voor het Europese kampioenschap wordt gespeeld. Hij bestudeert een bord met daarop de toegangsprijzen. Om binnen te komen moet hij minimaal 15.000 Wit-Russische roebel (een kleine anderhalve dollar) neertellen. Hij vloekt binnensmonds.

De 35-jarige Bogdankjevitsj werkt als arbeider in een staalfabriek, waar hij naar zijn zeggen 10 dollar per maand verdient. “U als kapitalist rekent dan zo uit, dat ik me een avond live-voetbal niet kan permitteren. Neem ik mijn zoon mee, dan is bijna eenderde van mijn loon op. En dan hebben we niet eens iets gedronken.” Een blikje bier kost bij het stadion 1 dollar. Bogdankjevitsj schudt zijn gebruinde kop. En hij zucht. “Maar laat ik niet al te veel zeuren”, vervolgt hij. “Tal van landgenoten hier in Wit-Rusland zijn er veel slechter aan toe dan ik.” Hij doelt op de miljoen mensen - ééntiende van de bevolking - die onder de armoedegrens leven in de straatarme republiek, waar het minimumloon pas is verhoogd naar 60.000 Wit-Russische roebel.

Topvoetbal-kijken, in Wit-Rusland is het alleen de rijken gegund. Zoals Alexandr Vitkovski, die deel uitmaakt van de nouveau riche. De pas 28-jarige koopman nam gisteren fluitend een snippermiddag op om Jong Wit-Rusland tegen Jong Oranje (3-1) te zien, vanavond zit hij in zijn goede colbertje en zijn keurig gestreken pantalon wederom in het Minsker stadion, maar dan voor het grote werk. Pas de problème, zegt hij op het voorplein van de arena in zijn beste Frans, want hij heeft het geschoten. Elke maand maakt zijn baas een bedrag van 150 dollar over, laat hij zich trots ontvallen, terwijl hij zijn blikje bier leegdrinkt. Naast hem doet zijn collega Ruslan Oerbanovitsj hetzelfde. Ze verontschuldigen zich: de tweede helft begint.

“Ik ben benieuwd hoe Jari Litmanen (!) morgen speelt. En is Frank Rijkaard in vorm?” roept Vitkovski nog, terwijl hij de tribune beklimt. Van achter de door het leger bewaakte hekken volgt een aantal mensen het tweetal, met jaloerse blikken. God, wat zouden ze het spektakel graag met eigen ogen hebben bekeken, ook al ging het maar om jeugdploegen. “Bij elke wedstrijd in het stadion, of die nu door Dynamo Minsk of door ons nationale elftal wordt gespeeld, sta ik hier bij deze ingangspoort”, vertelt de werkloze Oleg Girisevitsj. “Ik zie niks, ik luister naar de reacties van de toeschouwers. Die winden me op, die maken me enthousiast. Ik weet altijd precies hoe de stand is.”

In een overmoedige bui is Girisevic wel eens via de aangrenzende tennisbaan naar boven gegaan, naar een plekje bij het stadion waar véél sloebers staan. “Daar kun je één speelhelft zien, als je tenminste lang bent”, lacht hij. “Maar je moet oppassen. Geregeld komen de soldaten je hardhandig wegjagen”. In zijn hand draagt hij een vlag. Niet die van de oude Sovjet-Unie, waarmee velen van zijn landgenoten plegen te zwaaien, maar een wit-rood-witte. Die van Wit-Rusland. Trots laat hij een foto zien met daarop het wapen van zijn land: met Vitis, de ridder te paard. “Wit-Russen zouden zelfbewuster moeten zijn. Het vertrouwen in eigen kunnen is weg bij velen. Dat knaagt ook aan de economie. Die hobbelt achteruit. Ik kan daar wel om huilen.” Hij veegt zijn gezicht af aan een mouw van zijn versleten blouse. Hij fleurt op als hij een nieuw shirt krijgt. “Morgen is een belangrijke dag voor Wit-Rusland. Van het grote Nederland winnen, van Overmars, van Blind en van De Boer, dat zou nog eens wat zijn!”