Tussen camera en leven gaapt onoverbrugbare kloof

Te zien in Amsterdam, Rialto; Den Haag, Haags Filmhuis; Utrecht, 't Hoogt; Maastricht, Lumière.

Wie een film terugziet, kijkt ook altijd naar zichzelf. Visconti maakte Death in Venice in 1971 en ik heb hem in de loop van dat decennium minstens vier keer gezien - en daarna niet meer. Dat liep synchroon aan de smaak van de tijd, geloof ik, want ik herinner me dat de film jarenlang niet uit de filmhuizen weg te slaan was en toen ineens van de aardbodem verdwenen leek.

Nu Visconti's verfilming van Thomas Manns novelle weer te zien is, verbaast het me niet dat de film zulke mythische proporties in mijn adolescente bewustzijn had aangenomen: Death in Venice gaat vanaf de allereerste seconden, wanneer het Adagietto uit Mahlers Vijfde wordt ingezet, over Schoonheid en Verval, Liefde en Dood - zoals je die viereenheid toen graag zag. De muziek en de eerste beelden van de lagune zijn een uitnodiging tot waar iedereen naar verlangt: het zwelgen in grote gevoelens. We zien de door leven en kunst gefnuikte Gustav von Aschenbach aankomen in de dode stad en zijn trage ondergang beleven, gepijnigd door zijn liefde voor een onbereikbare, beeldschone jongen. De goudblonde Tadzio die mysterieus omkijkt in de eetzaal, op het strand, bij een waterput, Gustav von Aschenbachs doorgelopen haarverf, de onaantastbare adel van de moeder van de jongen, gespeeld door Silvana Mangano, de doodskop van de volkszanger in de tuin van het Hotel des Bains; het zijn geësthetiseerde symbolen van de grote woorden die ons leven in hun greep houden.

Maar wat bij herzien direct duidelijk wordt, is dat juist die estetiek zo zoetig aandoet. Het oog wordt aan een stuk door gestreeld. De zuivere schoonheid die de jongen Tadzio moet verbeelden, blijkt het homo-erotische schoonheidsideaal van de jaren zeventig; gouden lokken, een engelengezichtje, een bevallige pose tegen een balustrade, een hand in de zij, een matrozenpakje. Ik schrok ook wel een beetje van de nadrukkelijkheid waarmee Visconti het mysterie van de schoonheid presenteert; die lange, ongenaakbare blikken die Tadzio naar Dirk Bogarde werpt, doen anno 1995 onverwacht hoerig aan.

Ik weet dat indertijd heftig ontkend werd dat Death in Venice over zoiets banaals als homoseksualiteit ging - en dat ik het daar van harte mee eens was. Het ging om Aschenbach die zich op een fatale manier geconfronteerd ziet met de lichamelijke schoonheid die zich onttrekt aan zijn eigen kunst (van de schrijver uit Manns novelle, maakte Visconti een componist die Mahlers muziek schrijft) en aan die schoonheid ten gronde gaat - geholpen door de tyfus die in Venetië heerst. Maar nu ik de film weer gezien heb, is me een inconsistentie opgevallen, die ik pijnlijk vind: de componist Von Aschenbach, zo wordt hem door zijn Oostenrijkse muziekvriend in de film hardhandig ingepeperd, is veroordeeld tot middelmatigheid, omdat hij denkt dat schoonheid gevangen kan worden door geestelijke inspanning, door wilskracht en discipline. Schoonheid, zo houdt de vriend Von Aschenbach voor, openbaart zich via de zintuigen. Aschenbach ontkent heftig en dat wordt zijn ondergang, eerst als kunstenaar, dan als mens. Maar veel van de emoties die Death in Venice wil oproepen, worden juist aangezwengeld door dezelfde muziek die in de film als mislukt wordt beschouwd.

Die tweeslachtigheid beheerst de hele film. Aschenbach in Death in Venice maakt helemaal geen slechte kunst, maar zoals iedere kunstenaar zit hij wel gevangen in zijn kunst, zodat zijn leven steriel is geworden. Nu hij oud is en niet langer aantrekkelijk - en Death in Venice gaat ook over gemiste (homo)seksuele kansen - ziet hij het volle, ongeregelde, niet vergeestelijkte leven aan zijn ogen voorbij trekken en kan hij er niet langer aan deelnemen. Visconti heeft dat ook gevoeld, maar in Death in Venice lukt het hem niet zich te bevrijden van zijn eigen estetiserende blik. Het resultaat is kitsch: alles moet mooi gemaakt worden. Het leven waar hij en Aschenbach naar verlangen, wordt geregistreerd in een aaneenschakeling van adembenemende plaatjes, maar tussen dat leven en de camera gaapt een onoverbrugbare kloof. In de beroemde lange slotscène op het strand van het Lido offert de regisseur de componist Von Aschenbach op het altaar van zijn eigen onvermogen. Visconti lijkt dit zelf maar half te beseffen, en juist dat maakt Death in Venice tot een tragische film.