PRESTATIEBEURS; Truc Ritzen mislukt

Honderdtwintigduizend aanstaande eerstejaars kunnen opgelucht ademhalen. De prestatiebeurs, die gisteren op het allerlaatste moment sneefde in de Eerste Kamer, hield voor hen twee belangrijke verslechteringen in: wie niet binnen zes jaar zou afstuderen, zadelde zichzelf op met een forse studieschuld en de duur van de beursverstrekking zou worden beperkt van vijf tot vier jaar. Dat gaat nu voorlopig niet door.

De prestatiebeurs moest gelden voor de nieuwe generaties studenten, te beginnen met de lichting van september. De huidige generaties zouden niet te maken krijgen met deze beurs-nieuwe-stijl.

Volgens het huidige stelsel van studiefinanciering, de 'tempobeurs', krijgen studenten vijf jaar lang een basisbeurs van 495 gulden per maand. Als hun ouders minder dan ongeveer 65.000 gulden bruto per jaar verdienen, kunnen zij ook nog een aanvullende beurs krijgen. De basisbeurs en eventueel aanvullende beurs worden achteraf omgezet in een rentedragende lening wanneer de student in één jaar minder dan de helft van zijn tentamens heeft gehaald. Naast deze aanvullende beurs kunnen studenten nog een extra studielening afsluiten, tot een maximum van zo'n 350 gulden per maand. Als de vijf jaar van de studiefinanciering verstreken zijn, kan een student zo nodig nog twee jaar extra lenen, tot maximaal 1.100 gulden per maand.

De belangrijkste verandering bij de prestatiebeurs was dat de jaarlijkse 'afrekening' van het beursgedeelte zou zijn vervangen door twee 'afrekeningen', aan het einde van het eerste jaar en aan het einde van het zesde jaar. Volgens het systeem van de prestatiebeurs moet een student in zijn eerste jaar tenminste de helft van zijn studiepunten behalen en vervolgens binnen zes jaar na aanvang van de studie het diploma behalen. Zo niet, dan wordt de beurs een lening. Sterker nog, om boekhoudkundige en psychologische redenen zou de beurs eerst zijn verstrekt als prestatielening en pas bij het passeren van de twee meetpunten worden omgezet in een gift. Bij onvoldoende resultaat zou de lening dan gewoon blijven staan.

Door deze truc kon Ritzen de uitgaven voor studiefinanciering een paar jaar uitstellen, want de meeste kosten van de 'gift' hoefden pas te worden geboekt als het diploma zou zijn behaald. Ritzen had deze 'kasschuif' nodig omdat zijn andere belangrijke ingreep - verkorting van het 'beursrecht' van vijf jaar tot vier - pas na vier jaar geld zou opleveren.

In totaal hoopte Ritzen met deze veranderingen uiteindelijk ongeveer 600 miljoen te bezuinigen, al zou het plan door alle kasschuiven in 1999 bijvoorbeeld maar liefst 1.100 miljoen gulden aan besparingen opleveren. Op de korte termijn slaat het niet doorgaan van de wet op de prestatiebeurs een gat van 550 miljoen gulden, 180 miljoen dit begrotingsjaar en 370 miljoen volgend jaar. Als de wet niet alsnog per 1 september 1996 ingaat, zoals Ritzen wel vast van plan lijkt te zijn, dan wordt dat gat groter.

Het nu verworpen wetsontwerp bevatte ook de afschaffing van de kinderbijslag voor studenten zonder recht op studiefinanciering. Het gaat daarbij om ongeveer 30.000 studenten aan niet-erkende opleidingen. Het niet doorgaan van die afschaffing betekent voor Ritzen een tekort van 115 miljoen gulden. Overigens hadden een groot deel van de betrokken studenten en hun ouders in geval van afschaffing een deel van deze bezuiniging teniet kunnen doen door de betrokken onderhouds- en studiekosten af te trekken voor de belastingen.

Met de verwerping van de wet gaat voorlopig ook invoering van studiefinanciering voor studenten onder de 18 jaar niet door.