Leegloop?

Als het waar zou blijken te zijn, dat zowel Seedorf, Blind als Overmars Ajax op korte termijn gaat verlaten, is het niet zo vreemd als al die supporters straks vanuit hun zon-vakantieoord of wel hun stamkroeg zichzelf en anderen de vraag gaan stellen of de hoog geprezen landskampioen die klappen kan doorstaan zonder aan kwaliteit in te boeten. Het extra-vervelende is, dat die adieu-zeggers ten slotte het hartstochtelijk beroep van hun kameraad Litmanen naast zich hebben neergelegd. Die Fin had immers gepleit voor een hand-in-hand-kameraden-gebaar. Niemand zou weggaan, iedereen zou blijven en aldus zou de prachtige ploeg van het seizoen '94/'95 nog ten minste twee jaar intact worden gelaten, op weg naar het volgende grote succes. Maar het spreekwoord dat ervan getuigt, dat men het ijzer moet smeden terwijl het heet is, dreef menigeen de transfermarkt op. Altijd hoor je voetballers mompelen dat “een grote klapper” dient te worden gemaakt. Eén van de uitzonderingen is eigenlijk Frank Rijkaard, die nog best een jaartje door had kunnen spelen, maar de geldkraan persoonlijk dicht draaide. Hoewel hij tevens zal hopen en verwachten dat zijn activiteiten op textielgebied financieel nieuwe wegen zullen openen.

Ik ben eens even ondergedoken in de historie van Ajax om na te gaan hoe verzwakkingen vroeger werden opgevangen. De roodwitten noemen het seizoen '64/'65 een absoluut dieptepunt. Geen enkele maal eindigde Ajax zo laag op de vaderlandse ranglijsten: slechts drie punten scheidden de club van degradatie. Men behaalde 26 punten uit 30 wedstrijden onder de Engelse trainer Vic Buckingham. Men scoorde weinig: 52 doelpunten en er vielen 51 tegengoals. De schuld lag volgens de achterban vooral bij Klaas Nuninga, een aanwinst uit het noorden, die wat tijd nodig had om ingespeeld te raken. Buckingham nam ontslag in januari '65 en werd opgevolgd door Rinus Michels, die - samen met de kortgeleden in het team verschenen 'spijker' Cruijff - voor nieuwe impulsen zorgde. In de eerste de beste wedstrijd nadat Michels was binnengekomen, werd MVV met 9-3 weggespeeld. Sjaak Swart was matchwinner met vijf treffers. Toch werd het elftal op niet meer dan drie plaatsen aangepast. Twee vertrokken cracks (Henk Groot en Co Prins) werden tot terugkeer bewogen. Prins speelde bij Kaiserslautern, Groot bij aartsrivaal Feyenoord. Ajax moest met de hoed rond bij vrienden en sponsors om Groot te kunnen bekostigen. Voor 375.000 gulden kwam de Zaankanter terug in het oude nest. En dan kwam er een andere keeper. Hoogerman, meer een lijnkeeper, werd geruild voor Gert Bals, de mee-voetballer tussen (en vooral buiten) de palen. Onmiddellijk volgde een landskampioenschap en spoedig lieten de Amsterdammers zich in heel Europa zien.

Maar de uittocht die nu dreigt, accentueert de bijna-onmogelijkheid om een successtory in dezelfde samenstelling te vervolgen. Verschil met destijds is intussen, dat het bestuur niet met hoed, pet of bedelbrief hoeft rond te gaan om hier en daar geld bijeen te schrapen. De inkomsten van de Europa Cup I in haar nieuwste commerciële gedaante hebben Ajax goudgeld opgeleverd. En wat nog belangrijker is: de eigen opleiding garandeert weliswaar niets, maar maakt het waarschijnlijk dat uit deze bron bij voortduring (zij het niet ongeremd) geput zal kunnen worden. Het is eigenlijk zeer onterecht, dat de naam van Co Adriaanse, de baas van de opleidingen zo weinig is gevallen tijdens al die lyrische verhalen over Ajax' topprestaties. Slechts op een enkel detailpunt is er ruimte voor kritiek. De oudspelers van destijds, Piet Keizer voorop, worden stelselmatig buiten het hedendaagse beleid gehouden. Men komt hen bij Ajax liever niet meer tegen en al helemaal niet in de beleidssfeer. Dat Van Gaal door niemand voor de voeten wil worden gelopen, is begrijpelijk. Maar zelfs hij zou open moeten staan voor gouden tips, van welke kant ook.