'Ik heb zo lang een leeg gevoel in mijn hand gehad'; Moeder over dood zoon bij SLM-ramp

Op 7 juni 1989 stortte een DC8 van de Surinaamse luchtvaartmaatschappij SLM neer. Er waren 179 doden. Dolores Tauwnaar verloor haar zoon Ramses van zes.

AMSTERDAM, 7 JUNI. “Ik zou er mijn ziel voor verkopen als ik de tijd terug kon zetten. Had ik maar naast hem gezeten toen het gebeurde. Natuurlijk was ik dan dood. Maar de laatste momenten van zo'n kind. Ik had hem willen vasthouden. Nog elke dag vraag ik me af wat hij gezegd heeft. Hoe hij zich in de steek gelaten moest voelen om mij niet bij zich te hebben. Zo alleen. Wie heeft hem getroost? Wie heeft zijn hand vastgehouden? Dat zal me nooit meer loslaten.

“Ik weet nog goed hoe we met mijn zus besloten om hem dan maar alleen te laten reizen. Ik had net een nieuw huis aangeboden gekregen. Ik móest verhuizen. Maar we wilden Ramses niet zijn eerste vakantie in Suriname onthouden. Hij was zo verbonden met de kinderen van mijn zus.

“Het zelfverwijt is soms onverdraaglijk. In het begin vond Ramses het best eng om te gaan. Je ziet dat als kinderangst. Dan zeg je: toe, vliegtuigen vallen niet zomaar. Je geeft intructies: Als je gaat landen trek je je dikke trui uit en doe je een korte broek aan. Want het is lekker warm in Suriname. Eigenlijk begon hij het toen heel leuk te vinden. Spannend dat hij helemaal zelf naar tante Shirley ging. Toen we afscheid namen heb ik hem echt moeten terug roepen om goed gedag te zeggen. Zo enthousiast en opgewonden was hij.

“Mijn eerste kind stierf niet lang na de geboorte. En toen ik naar het reisbureau ging heb ik over het noodlot van Ramses beschikt, zonder dat ik het wist. Ik wilde speciaal op de KLM boeken. Die vluchten waren allemaal vol. Ik weet nog dat ik de reisagent vroeg: 'Is SLM wel okee?' En hij zei: Ach, al die negatieve publikaties, dat is alleen om Suriname in een slecht daglicht te zetten.

“Soms weet ik niet hoe het kan dat ik hier nog zit. Het eerste telefoontje dat het vliegtuig was neergestort. Uren wachten voordat de bevestiging kwam. Daarna heeft het nog elf dagen geduurd voordat ik mijn zoon kon begraven. Hij lag bij een groep die moeilijk te identificeren was. Steeds opnieuw de beschrijving doorgeven: een rood T-shirtje had hij aan. Het gebeurde vlak voor de landing, dus hij had zijn trui al uitgetrokken. Hij had een nieuw spijkerbroekje, maar ik wist het merk niet meer. Het is onwaarschijnlijk met zoveel onzekerheid te zitten. Of ik hem wel terug zou krijgen. Of ze hem wel zouden identificeren. Of hij het echt wel zou zijn. Stiekeme wensjes dat hij toch ergens in het oerwoud zou zijn. Dat een bosneger-mevrouw hem gevonden zou hebben en voor hem zou zorgen.

“Na een week kwam ik voor het eerst op straat. De wolken, de mensen. Alsof de wereld heel anders leefde dan ik. Ik liep door de straat waar ik hem ophaalde van school. Dan hield hij mijn hand vast, als er geen vriendjes waren. Ik heb zo lang een leeg gevoel gehad in mijn hand. Ik wist me er geen raad mee. Ook mijn hand was in rouw. De pannen te groot. De nachten te stil.

“Hij moet niet lang geleden hebben. De mensen van het identificatieteam hebben het mij verzekerd...zijn ruggegraat was gebroken, hij was op slag dood. Het zijn die kleine dingen waar je jezelf dan aan vasthoudt. Zoals de speech van premier Lubbers bij de herdenkingsdienst in de RAI. 'Wat een verdriet hier', zei Lubbers. Ik ken zijn woorden nog uit mijn hoofd. 'We moeten de moed hebben het niet te laten bij vandaag.' Ik heb zoveel hoop bij die woorden gevoeld. Gehoopt dat we zouden weten wat er precies gebeurd was, dat de verantwoordelijken zouden worden aangewezen.

“De woede en machteloosheid verdwijnen nooit meer. Waarom heeft de Nederlandse regering nooit een onderzoeksteam gestuurd? Ze hebben het niet eens geprobeerd. Hoe kan een landje van niks als Suriname zoiets onderzoeken? Ik begrijp, de verhouding met Suriname was in die tijd slecht. Maar meer dan honderd Nederlandse burgers zijn bij die ramp omgekomen. Het is ook een kwestie van moraal dat je op zijn minst een poging onderneemt.

“Wie is verantwoordelijk voor de dood van mijn zoon? Het vluchtrapport is ten slotte door de SLM-directie zelf geschreven. De schuld is gegeven aan de cockpit-bemanning, die vanuit hun graf niets meer kan zeggen. Jarenlang heb ik gevochten. Processen, een kort geding. Ik heb alles verloren. Ik wilde alleen dat de Nederlandse regering het vluchtrapport zou publiceren. Soms dacht ik dat ik gek was of naïef. Men ging er zo normaal mee om. De druk die werd uitgeoefend om een schikking te tekenen. Alsof het om een belastingformulier gaat. Teken nou, dan krijg je geld, dan kun je alles vergeten. Maar ik wilde geen geld. Ik wilde duidelijkheid. Het idee dat ik mijn handtekening zou hebben geplaatst, had gemaakt dat ik niet rustig voor mijn zoon zijn graf zou staan.

“Hij ligt er mooi bij, op de begraafplaats van Zorgvlied. Dat is het laatste wat ik voor hem kon doen. Toen ik Ramses na elf dagen eindelijk kreeg kwam hij terug in een hele grote volwassen-mensenkist. Zijn lijkje paste er twee keer in. Ik zie dat en vraag: mijn zoon wordt toch niet zo begraven? Maar de begrafenisondernemer zegt: 'Ja mevrouw, hier is voor betaald en wij kunnen niet zomaar een andere kist voor u nemen'. Uiteindelijk is het me toch gelukt een kleine kist te krijgen.

“Ik heb hem niet meer mogen zien. Dat was heel moeilijk. Je vraagt je lang af of hij het werkelijk wás in die kist. Omgekeerd weet ik niet of ik het ooit zou hebben kunnen verwerken wat ik dan te zien zou krijgen. Ik heb hem uiteindelijk ook niet laten begraven, maar laten cremeren, omdat ik het idee niet kon verdragen dat hij daar verminkt onder de grond zou liggen.

“En dan bij zo'n herdenking is het allemaal weer zo dichtbij. Vorige week zonden ze een televisieprogramma erover uit. Het was één grote ellendeshow. Maar er wordt niet over de óórzaak van de ramp gepraat. De rol van de Nederlandse overheid komt geen moment ter discussie. Het was of ik opeens weer een geweldige trap in mijn rug kreeg.

“Ik voel me alsof ik geamputeerd ben. Ik probeer positieve dingen te doen. Nadat het vluchtrapport uitkwam heb ik getekend, om de proceskosten terug te kunnen betalen. Toch is alles zoveel moeilijker te verwerken als er niet eens een poging wordt gedaan om recht te spreken. Ik lees over de holocaust, de oorlog in Bosnië. Het Neurenberg-tribunaal was belangrijk, een Bosnië-tribunaal is belangrijk. Natuurlijk, een vliegtuigramp is geen oorlog. Bij een vliegramp gaat het om economische belangen. En politiek. En dat bedrijf je met je hoofd. Maar een beetje hart mag er bij zo iets tragisch toch wel insluipen? Zijn er verschillende criteria voor pijn?”