Hoofdverdachten milieu-affaire TCR blijven in hechtenis

ROTTERDAM, 7 JUNI. De zes hoofdverdachten in de milieu-affaire rond Tankcleaning Rotterdam (TCR) blijven zeker tot oktober in voorlopige hechtenis.

De Rotterdamse rechtbank wees gisteren verzoeken van de verdediging van de hand om het voorarrest op te heffen. Volgens de voorzitter van de rechtbank, mr. F. van Dooren, weegt het persoonlijk belang van de verdachten niet op tegen het belang van de strafzaak. De rechtbank oordeelde bovendien dat de gepleegde delicten zich over een lange periode uitstrekten. De TCR-leiding wordt onder andere verdacht van illegale lozingen op de Botlek, fraude met overheidssubsidie en illegale export van chemisch afval.

De verdachten, onder wie de voormalige eigenaren Tom, Jan en Ron Langeberg, zitten inmiddels een half jaar vast. Ook in maart wees de rechtbank verzoeken om opheffing van de voorlopige hechtenis van de hand. De rechtzaak wordt in september hervat.

In de pro forma zitting stelden enkele verdedigers de opsporingsmethoden van het Openbaar Ministerie aan de kaak. Mr. A. Moszkowicz, advocaat van Jan Langeberg, beweerde dat het OM een van de hoofdverdachten, het voormalige hoofd waterhuishouding van TCR, R.E., zou hebben aangespoord om een belastende verklaring over zijn cliënt af te leggen. E. zou in ruil voor deze verklaring een gunstige bejegening van de officier van justitie krijgen en bovendien zijn speedboat terugkrijgen. Vier mede-gedetineerden, onder wie ex-autocoureur en drugshandelaar Charles Z. zouden van E. een gedetailleerd relaas hebben gehoord. Moszkowicz wil Z. nog als getuige horen.

Officier van justitie mr. L. de Jonge wees de beschuldiging van de hand. “De enige die toezeggingen had kunnen doen, ben ik. En de rechter moet mij op mijn woord geloven als ik zeg dat ik geen enkele afspraak over verdere vervolging heb gemaakt.”

Twee raadslieden wreven het OM aan dat in het proces verbaal geen melding is gemaakt van de hulp van een informant van de Criminele Inlichtingen Dienst. Deze vroegere TCR-werknemer tipte justitie meermalen over op handen zijnde lozingen van chemisch afval in de Botlek. Volgens De Jonge heeft het OM niets achtergehouden. “De CID-informant is in een later stadium formeel getuige geworden. Uit zijn verklaringen blijkt duidelijk welke rol hij heeft gespeeld.”

De rechtbank honoreerde de verzoeken om dertien nieuwe getuigen te laten verhoren door de rechter-commissaris. Onder hen bevinden zich de Rotterdamse officier van justitie mr. R. de Groot, de informant van de Criminele Inlichtingendienst in Rotterdam en de chef van deze afdeling. Verder moeten twee ambtenaren van Rijkswaterstaat en een ambtenaar van het ministerie van VROM zich nader verantwoorden.

De verdediging schermde vooralsnog vergeefs met een rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) waaruit blijktdat de illegale lozingen van TCR geen direct gevaar voor de volksgezondheid hebben opgeleverd.

Officier van justitie mr. De Jonge kondigde aan dat zij in september inhoudelijk op de materie zal ingaan.