Eerste Kamer zegt 'nee' tegen plan met prestatiebeurs

DEN HAAG, 7 JUNI. De Eerste Kamer heeft gisteren onverwachts het wetsvoorstel voor een 'prestatiebeurs' verworpen. Hierdoor behouden studenten vooralsnog recht op vijf jaar basisbeurs. Minister Ritzen (onderwijs) wilde de termijn bekorten tot vier jaar, de offiële studieduur.

De verwerping door de senaat betekent dat minister Ritzen (onderwijs) kampt met een tekort van 180 miljoen gulden dit jaar en ten minste 370 miljoen in 1996. De stemming viel onverwachts negatief uit, doordat twee VVD-senatoren en twee D66'ers ontbraken en doordat twee Eerste-Kamerleden van regeringsfracties tegenstemden: Van Boven (VVD) en Mertens (D66). In totaal stemden 35 senatoren tegen, 34 voor.

Ritzen sprak gisteren van een “bittere teleurstelling”. De nu afgewezen wet is samen met de 'stelselherziening' het belangrijkste onderdeel van het hogeronderwijsbeleid van het nieuwe kabinet. Ritzen zei gisteren dat hij van plan is op korte termijn de wet opnieuw in te dienen bij de Tweede Kamer, zodat de wet wel in september 1996 kan ingaan. Studentenorganisaties, die het afgelopen jaar voortdurend actie tegen de wet hadden gevoerd, reageerden gisteren opgetogen.

Met de verwerping van de prestatiebeurs blijft ook het oude systeem van de 'tempobeurs' bestaan, die inhoudt dat de studiebeurs wordt omgezet in een lening als studenten in één jaar minder dan de helft van hun tentamens halen. Volgens het gisteren verworpen voorstel zou de beurs eerst als lening worden verstrekt en pas bij voldoende resultaat worden omgezet in een 'gift'. Ook zouden de beoordelingscriteria worden veranderd. De student had in het eerste jaar de helft van de tentamens moeten halen en vervolgens zijn diploma binnen zes jaar na aanvang van de studie. Zo niet, dan zou de 'prestatielening' een lening zijn gebleven. De nieuwe wet zou geen invloed hebben gehad op de hoogte van de beurs- en leenbedragen.

Ritzen meent dat het door de senaat geslagen gat in zijn begroting (totaal 550 miljoen gulden) niet zelf kan dichten. “Dit is een zaak van het hele kabinet”, zei hij gisteren. Vanmorgen legde Ritzens woordvoerder nog uit dat bezuinigen binnen de onderwijsbegroting “onoplosbaar” is: volgens het regeerakkoord blijft het basis- en voortgezet onderwijs buiten schot bij bezuinigingen en op de studiefinanciering kan pas volgend jaar weer bezuinigd worden, als er een nieuwe wet kan worden aangenomen. Ritzen zegt verder “niet te willen tornen aan het moeizaam bevochten akkoord met universiteiten en hogescholen over bezuinigingen in het hoger onderwijs”. Dat akkoord, waarin de meeste bezuinigingen op universiteiten worden uitgesteld tot na het jaar 2003, werd eind 1994 gesloten na scherpe protesten van de universiteiten en hogescholen tegen de geplande bezuiniging van 500 miljoen gulden in 1998. Na harde acties van de studentenbeweging werd in januari in dat akkoord de verhoging van het collegegeld met duizend gulden verlaagd tot 5OO gulden.