Eerste Kamer miste debat over nieuwe prestatiebeurs

DEN HAAG, 7 JUNI. “Een slechte regie”. Zo kwalificeerde senaatsvoorzitter H. Tjeenk Willink (PvdA) gisteren de stemming over de prestatiebeurs in de Eerste Kamer. Als alle senatoren aanwezig waren geweest en bovendien hun fractiediscipline hadden betracht zou de prestatiebeurs met 40 stemmen voor (van PvdA, VVD, D66) en 35 tegen (CDA, GroenLinks, SGP, GPV, RPF) zijn aangenomen. “Die wet wordt wel aangenomen”, had VVD-fractievoorzitter D. Luteijn vorige week nog verzekerd.

Maar het liep anders. De prestatiebeurs werd verworpen met één stem verschil; 35 stemmen tegen en 34 voor. Onder de tegenstemmers bevonden zich twee 'dissidente' leden van de regeringsfracties, A. van Boven (VVD) en C. Mertens (D66). Het wetsvoorstel had die tegenstemmen kunnen overleven als niet drie senatoren van VVD en D66 afwezig waren geweest en een D66-senator op tijd in de Ridderzaal was aangekomen.

In totaal ontbraken bij de stemming zes leden van de Eerste Kamer. Ziekte verhinderde de senatoren J. Verbeek (VVD) en H. van der Meulen (CDA) hun stem uit te brengen. D66-fractievoorzitter H. Gelderblom was voor de Raad van Europa op mensenrechtenmissie in Tsjetsjenië, de CDA'er A. Vermaat woonde een congres bij in de Verenigde Staten en de VVD-er J. van Graafeiland was met vakantie.

Alleen de steun van D66-senator E. Tuinstra, tevens onderwijswoordvoerder van haar fractie, had de stemmen nog kunnen doen staken. Maar na een bezoek aan de dokter dat niet te verzetten bleek, kwam ze twee minuten te laat binnen. En zo voorkwam ze dat er nog deze week door senaatsvoorzitter Tjeenk Willink een hernieuwde stemming kon worden uitgeschreven voor de senaat in oude samenstelling.

Zelf zegt Tuinstra dat haar geen blaam treft. Ze had haar afwezigheid voorzien en daarom vorige week haar voorstem al weggestreept tegen de tegenstem van CDA-senator Vermaat. Zulke zogeheten 'pair'-afspraken worden wel vaker gemaakt in het parlement. Maar gisteren bleek haar afspraak ongeldig omdat de fractie per abuis dubbele pair-afspraken had gemaakt. “Ik vind dit heel, heel erg pijnlijk”, aldus Tuinstra, “maar als jurist zeg ik: ik had mijn zaakjes goed geregeld, dus schuldig voel ik me niet.” Dat neemt niet weg dat ze vandaag wel “in een amice-briefje minister Ritzen een hart onder de riem zal steken, want dat doe je nou eenmaal”.

Niettemin is de prestatiebeurs uiteindelijk op inhoudelijke gronden weggestemd. Beide 'dissidente' senatoren grepen hun laatste dag in de Eerste Kamer aan om tegen het voorstel te stemmen. Allebei voorzagen ze uitvoeringsproblemen door de haast die minister Ritzen met de invoering van de prestatiebeurs had, maar doorslaggevend voor hen beiden was dat over de wet geen principiële discussie was gevoerd.

“Ik heb mijn verantwoordelijkheid genomen”, verklaart de dissidente D66-senator C. Mertens. In tegenstelling tot de rest van zijn fractie was hij niet onder de indruk van het feit dat Ritzen zich hoogstpersoonlijk garant stelde voor ordelijke invoering. Er kwam voor Mertens nog een argument bij: “De paragraaf in het regeerakkoord over de invoering van de prestatiebeurs en de bezuinigingen van 1,5 miljard op het hoger onderwijs zijn voor mij de rotte plek in het regeerakkoord. Die bezuiniging is naar mijn oordeel hapsnap gekozen.”

VVD-senator A. van Boven stemde naar eigen zeggen tegen “omdat de wet van geen kant deugt”. Het was, zegt hij, “een ijlwet die in onverantwoord tempo door de beide Kamers is gejaagd”. Maar wat hem verreweg het meeste stoorde is dat het principiële debat ontbroken heeft.

Van Boven: “Het betreft hier een zeer principiële zaak. De studiefinancieringsduur wordt gelijkgesteld aan de cursusduur, wat betekent dat je alles in één keer moet halen. Dat is een ongelooflijk rigide en ongenuanceerde maatregel. Ik vind dat studenten nog gelegenheid moeten krijgen zich als mens te ontplooien in een studentenvereniging zonder dat ze daarmee hun prestatienorm op het spel zetten.” Collega-senatoren hebben Van Boven verweten “te stunten”, maar zelf ontkent hij dat met klem. “Het was een zure dag, dat mag u best van me weten, maar ik heb mijn zelfrespect niet verloren en heb met opgeheven hoofd de Eerste kamer kunnen verlaten.”