De kosten van verzoening

VEERTIG JAAR GELEDEN legden op Sicilië de vertegenwoordigers van Frankrijk, West-Duitsland, Italië en de Benelux de grondslag voor de Europese Economische Gemeenschap, de EEG van zes lidstaten. Het was het begin van de economische en politieke verzoening tussen Frankrijk en West-Duitsland na de verwoestingen van twee wereldoorlogen. Afgelopen weekeinde zijn de vertegenwoordigers van de Europese Unie, de opvolger van de EEG die inmiddels tot vijftien lidstaten is uitgebreid, op dezelfde plaats bijeen gekomen om zich te bezinnen op de institutionele vormgeving van de volgende historische verzoening, die tussen Oost- en West-Europa. De integratie van een aantal landen uit Oost-Europa in de Europese Unie, mogelijk geworden na de ineenstorting van het communistische Sovjet-stelsel, is de diepere betekenis van de Intergouvernementele Conferentie (IGC) waarvoor op Sicilië het startsein is gegeven.

Officieel dient de IGC tot een kritische beoordeling of het Verdrag van Maastricht in alle opzichten voldoet en moet de conferentie leiden tot institutionele hervormingen van de EU. De diplomatieke strijd tussen voor- en tegenstanders van besluitvorming bij meerderheid of unanimiteit en van verschillende snelheden van samenwerking zal zeker tot eind 1996 doorgaan. Daarbij dreigt een element in de discussie naar de achtergrond gedrongen te worden: de kosten van de uitbreiding met Oosteuropese landen. Bij ongewijzigd beleid, dat wil zeggen voortzetting van de uitgaven voor het landbouwbeleid en de structuurfondsen, zal uitbreiding een verdubbeling van de huidige EU-begroting tot gevolg hebben.

IN 1999 BEDRAAGT de EU-begroting honderd miljard ecu (tegen de huidige koers ruim tweehonderd miljard gulden). Berekeningen tonen dat toetreding van Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije zo'n vijftig miljard ecu aan extra uitgaven zal vergen. Als bovendien de Baltische en Balkan-landen toetreden, zullen de uitgaven met tachtig miljard ecu toenemen.

Voor netto-betalers aan de kas van de Europese Unie, zoals Duitsland en Nederland, dreigt aldus een fors hogere afdracht aan Brussel om de kosten van de toetreding van Oost-Europa te financieren. Natuurlijk is de geleidelijke integratie van Oost- en West-Europa, net zoals de Frans-Duitse verzoening bij het begin van de EEG, een prijs waard. En Duitsland zal, gezien zijn ligging, zeker tot extra bijdragen bereid zijn, maar het zal tegelijkertijd met recht streven naar verdeling van de lasten over andere lidstaten.

Het is onverstandig om in de diplomatieke onderhandelingen van de komende anderhalf jaar geen aandacht te schenken aan de financiële gevolgen van ongewijzigd beleid. De EU doet er goed aan zich tijdig te buigen over hervormingen van de bestaande uitgaven en over herziening van het financiële kader.