Agassi onderuit in rol van Monsieur Hulot

PARIJS, 7 JUNI. Jevgeni Kafelnikov voelde zich de dagen voor het toernooi in Parijs zo depressief, bedroefd en gefrustreerd dat hij overweeg zich terug te trekken. Hij zou Roland Garros en Wimbledon overslaan, vakantie nemen en pas aan het einde van de zomer weer een tennisracket ter hand nemen. Maar zijn coach, Anatoli Lepeshin, wist beter. Blijf kalm, luidde het advies, jouw tijd komt wel.

Gisteren won de 21-jarige Rus zijn vijfde partij op de open Franse tenniskampioenschappen. Hij versloeg de grote favoriet, de nummer één van de wereld, Andre Agassi, in drie sets: 6-4, 6-3 en 7-5. Omdat Agassi zich al na drie games blesseerde en omdat Kafelnikov beter speelde dan ooit tevoren. Kafelnikov stuit vrijdag in de halve finale op Thomas Muster, die zich ontdeed van de Spanjaard Alberto Costa (6-2, 3-6, 6-7, 7-5 en 6-2) en al 33 gravelpartijen ongeslagen is.

Als een klein kind dat zijn zin niet kreeg, stond Agassi op de baan. Als een kleuter met strafwerk, zat hij achter de tafel bij de persconferentie. “Verliezen is niet erg”, mompelde hij. “Je wil alleen wel een kans krijgen om je beste spel te spelen.” Agassi zat er twintig minuten. Hij gaf geen enkel compliment aan zijn tegenstander.

Kafelnikov was hem voorgegaan in de grote perszaal. Als een schooljongen die tot zijn stomme verbazing plotseling de beste van de klas is, verzonk hij een paar keer in valse bescheidenheid. “Toen ik de baan op kwam gaf ik mezelf geen enkele kans. Als Andre niet geblesseerd zou zijn geweest, had ik deze partij nooit gewonnen. Dit is het enige grand-slam dat hij nog niet in zijn bezit heeft. Je moest eens weten hoe gebrand hij er op was dit toernooi te winnen. Ik begrijp eigenlijk nog steeds niet hoe ik hem heb kunnen verslaan.”

Maar tegelijkertijd wilde Kafelnikov de blessure buiten beschouwing laten. “Een blessure is geen excuus in de kwartfinale van de open Franse”, zei hij. Het hoort immers tot de ongeschreven regels om na een nederlaag nooit over blessures te praten. “Als hij pijn had”, zei Kafelnikov over Agassi, “had hij niet moeten spelen. Je moet honderd procent kunnen geven, anders houd je het publiek voor de gek.”

Het gebeurde al in de derde game van de eerste set. Agassi slipte weg, voelde zijn heup verschuiven en scheurde een spiertje aan de bovenkant van zijn rechterdijbeen. Hij probeerde een set lang de pijn te verbijten, maar nam bij 6-4 en 2-1 de toegestane drie minuten blessuretijd om zich buiten de baan te laten behandelen. De ATP-fysiotherapeut Bill Norris bracht een verband aan en gaf hem pijnstillers.

Het hielp weinig. Agassi probeerde de punten te verkorten, nam steeds meer risico, maar werd punt voor punt door Kafelnikov geklopt. De Rus serveerde beter, retourneerde beter en liet zich ook in de langere rally's niet intimideren door het razende tempo van Agassi. En een aantal subtiele dropshots van Kafelnikov ontnam Agassi de laatste krachten. “Ik had Agassi een paar keer tegen Bruguera zien spelen, dus ik wist welke tactiek ik moest toepassen”, zei Kafelnikov na afloop.

Ook een topfitte Agassi had het gisteren zwaar gekregen tegen Kafelnikov, in april de nummer vier, nu de nummer negen van de ranglijst. Maar het was ontluisterend om te zien hoe Agassi aan het einde de partij opgaf. Hij is geen tegenslag gewend. Hij is niet gewend pijn te lijden. En kan het ook niet. In de laatste game retourneerde hij een service als Monsieur Hulot. Hij smeet een paar keer met zijn racket, stond bijna te huilen op de baan en schudde voortdurend mismoedig zijn hoofd.

Agassi heeft al eens gewonnen in Australië, op Wimbledon en op de US Open. Alleen Parijs ontbrak nog op zijn erelijst. Daarom zat hij zo te sikkeneuren over de nederlaag. Hij had dit jaar willen bereiken, wat tot nu toe alleen voorbehouden was aan Rod Laver, Fred Perry, Roy Emerson en Don Budge. Maar wat onder anderen Stefan Edberg, Boris Becker, Ivan Lendl, John McEnroe en Jimmy Connors nooit is gelukt.

Het is voor Kafelnikov de eerste keer dat hij de halve finale van een grand-slam bereikt. Vorig jaar stapte hij met grote sprongen op de ranglijst de top-tien binnen, maar tot dit jaar bleven zijn prestaties in de vier enige echt belangrijke evenementen achter bij zijn mogelijkheden. In januari in Australië haalde hij voor het eerste de kwartfinale. Maar daar, op hardcourt, kreeg hij geen kans van Agassi: 6-2, 7-5 en 6-0. Op gravel draaide Kafelnikov de rollen om, zoals hij Agassi voorjaar 1994 in Monaco ook al had verslagen op gravel. “Alle Russen leren tennissen op gravel”, vertelde Kafelnikov gisteren. “Toch is het niet mijn favoriet baansoort. Ik vind het te moeilijk.”

Het stoffige spul was hem de afgelopen weken zelfs bijna te veel geworden. Zes toernooien op rij had hij in de eerste ronde verloren. In Rome zelfs van een of andere Italiaan, de nummer 413 van de wereld. Hij was zo bedroefd, dat hij toen hals over kop voor vijf dagen naar Sotsji, zijn geboorteplaats aan de Zwarte Zee, was vertrokken. Het werd zijn redding. “Ik had rust nodig. Ik kreeg weer honger naar tennis. En nu groeit mijn zelfvertrouwen met iedere overwinning. Ik heb me nog nooit zo goed gevoeld.”