Wens tot wijziging in EU verlamd door dreiging Brits veto

TAORMINA, 6 JUNI. Door keihard vast te houden aan zijn veto-recht in de Europese Unie dreigt Groot-Brittannië zich te isoleren van de rest van de EU-landen.

Dat is dit weekeinde gebleken tijdens de eerste bijeenkomst van het comité dat de Intergouvernementele Conferentie (IGC) voorbereidt, de conferentie over herziening van het Verdrag van Maastricht.

In een sfeer van beleefde vriendelijkheid in het Siciliaanse plaatsje Taormina, waar veertig jaar geleden de basis werd gelegd voor de Europese Economische Gemeenschap, maakte de Britse afgevaardigde David Davis in niet mis te verstane bewoording duidelijk dat zijn land zich zal verzetten tegen “iedere” uitbreiding van meerderheidsbesluiten op “ieder terrein”. Davis, staatssecretaris van Europese zaken, zei dat de Europese landen moeten “afstappen van het idee dat meerderheidsbesluiten de oplossing zijn voor alle problemen”. Volgens de Britse afgevaardigde zullen meerderheidsbesluiten meer problemen creëren dan oplossen.

Herziening van het Verdrag van Maastricht, waarvoor het comité dit weekeinde de eerste stap zette, is nodig in het licht van de komende uitbreiding van de Europese Unie naar Oost-Europa. Beperking van het vetorecht zou de slagvaardigheid van de Unie moeten vergroten, als deze zich van vijftien tot een kleine dertig leden gaat uitbreiden. Met name Duitsland is voorstander van besluitvorming met meerderheid van stemmen, zoals nu vooral gebeurt op het gebied van de interne markt. Voor het merendeel van de Europese regelgeving is nog unanimiteit nodig, wat de besluitvorming ingewikkeld en tijdrovend maakt.

“Het was veertien tegen één”, constateerde een van de leden van het comité zaterdag na afloop van de bijeenkomst. Ook de Britse afgevaardigde zelf zei tegenover de pers dat hij wat betreft “de key issue van meerderheidsbesluiten” alleen staat. Zelfs van de Noordse landen, die zich tot nu toe geen groot voorstander hebben getoond van beperking van het vetorecht, kreeg Groot-Brittannië geen steun. “De nieuwe landen waren zeer communautair”, constateerde de Belgische afgevaardigde Jan de Bock, kabinetschef van de minister van buitenlandse zaken.

De scherpe opstelling van Groot-Brittannië lijkt vooral ingegeven door binnenlands-politieke redenen. De regerende Conservatieve partij kampt met een sterke rechter vleugel die 'anti-Europees' is. Het zal tot na de verkiezingen, die uiterlijk april 1997 plaatshebben, duren voor Groot-Brittannië echt kan meedoen aan de besprekingen over de verdragsherziening. De voorzitter van het zaterdag geïnstalleerde comité, de Spanjaard Carlos Westendorp, houdt de mogelijkheid open dat een aantal landen in de tussentijd alvast verder gaat. De consensus over de hervormingen moet “zo groot mogelijk” zijn, aldus Westendorp. Groot-Brittannië staat met zijn opstelling lijnrecht tegenover de twee afgevaardigden van het Europees Parlement, dat vurig voorstander is van inperking van de unanimiteit. Maar de Europarlementariërs, en ook de andere comitéleden die hechtere Europese samenwerking willen, hielden zich in hun kritiek op de Britten nog wat op de vlakte. Europarlementariër Elisabeth Guigou zei dat “ieder zijn eigen mening” heeft en dat ze hoopte dat de standpunten bij elkaar te brengen zijn. Comité-voorzitter Westendorp vond de bijeenkomst “positief” en de Nederlandse staatssecretaris Patijn zei na afloop dat de vergadering “niet confrontationeel” was geweest.

De milde reactie op de Britse dwarsheid houdt mogelijk verband met het feit dat de meeste lidstaten - Duitsland als uitgesproken voorstander van meer federalisme uitgezonderd - zelf nog geen duidelijk antwoord hebben op vragen als: hoe ver moet het meerderheidsbesluit worden uitgebreid? En op welke terreinen? In 'Maastricht' staan justitie en buitenlandse zaken vooralsnog aangeduid als 'intergouvernementele' beleidsterreinen, waar ieder land een veto heeft. In de toekomst moet blijken in hoeverre de EU-leden daarvan afstand willen doen. Voor Groot-Brittannië is het een steuntje in de rug dat Frankrijk - ook een kernmacht - zich op het gebied van de buitenlandse politiek en defensie in ieder geval tegen inlevering van soevereiniteit zal verzetten. Maar ook op het gebied van sociale zaken, justitie en binnenlandse zaken hebben veel lidstaten al bewezen niet happig te zijn op het loslaten van hun vetorecht. Hoe ver de EU-landen willen gaan, moet de komende zes maanden duidelijk worden, als de werkgroep haar rapport opstelt, maar vooral ook volgend jaar als de werkelijke onderhandelingen over de verdragsherziening beginnen.

Opvallend is het grote belang dat het zaterdag geïnstalleerde comité hecht aan het verleiden van de publieke opinie. “In voorgaande situaties hebben we onvoldoende uitleg gegeven”, zei comité-voorzitter Westendorp. “We moeten nu ons best doen om uit te leggen wat we doen en waarom.” De schrik van de uitslag van de referenda over het Verdrag van Maastricht zit er nog goed in. Westendorp stelde voor voortaan heldere taal te gebruiken. Laten we in plaats van 'subsidiariteit' spreken van “wie doet wat”, suggereerde hij. En 'opt out' heet voortaan: “Een Unielid wil de rest nog niet volgen en de andere gaan daar mee akkoord.” De groeiende zorg om de publieke opinie, die maar niet van Europa wil houden, blijkt ook uit de publiekscampagne die de Europese Commissie vorige week heeft aangekondigd om burgers te winnen voor de eenheidsmunt. Een campagne om bekendheid te geven aan de komende verdragsherziening, lijkt ook wel nodig. Uit een enquête van de Commissie blijkt dat slechts 17 procent van de EU-burgers van de komende verdragswijziging op de hoogte is.