Sint-bernard

In het zuidwesten van de Alpen, niet ver van de Mont Blanc en het Frans-Zwitsers-Italiaanse drielandenpunt, liggen twee hoge passen, de Grote en de Kleine Sint-Bernard. De hoogste van de twee, de Grote Sint-Bernard (2.472 m), verbindt het Zwitserse Rhônedal met de Valle d'Aosta in Italië.

Waarschijnlijk trok Hannibal in 218 v.Chr. over de kleine pas. Maar ook de grote is sinds de oudheid in gebruik: al in 47 v.Chr. legden de Romeinen hier een ezelspad aan. Later bouwden ze er een tempel. Keizer Constantijn liet die vervangen door een kerk die later door moslims werd verwoest.

Op de ruïnes van die kerk bouwde Bernhard van Menthon, een edelman uit Savoye, in 962 een klooster, dat al spoedig bekendstond als het klooster van St.-Bern(h)ard. Het lag op een onaangename plek: de gemiddelde jaartemperatuur bedraagt er 1,8 graden, de sneeuw blijft er negen maanden liggen en er wil niets groeien. Eeuwenlang was dit het hoogste winterverblijf in de Alpen. Er woonden zo'n vijfentwintig augustijner monniken, die tot taak hadden reizigers kosteloos onderdak te bieden en verongelukte of verdwaalde reizigers te helpen. Ze ontvingen daarvoor materiële steun uit verscheidene landen.

Hoewel de pas gevaarlijk was, gingen er zeer veel mensen overheen. Nog halverwege de negentiende eeuw kozen soms 20.000 mensen per jaar deze route. Met enige regelmaat trokken er ook hele legers langs. Vooral de oversteek van Napoleon sprak sterk tot de verbeelding: tussen 14 en 23 mei 1800 trok de Franse consul met 30.000 soldaten over de Grote Sint-Bernard, om zo de Oostenrijkers in de flank te kunnen verrassen. De soldaten sleepten 150 kanonnen met zich mee, verpakt in uitgeholde boomstammen.

Maar goed, vanaf ongeveer 1665 maakten de kloosterlingen bij hun werk gebruik van grote, zware doggen. Kynologen vermoeden dat die honden afstammen van Romeinse waak- en vechthonden. Waarschijnlijk waren ze naar het klooster gehaald als waakhonden, maar al snel ontdekten de kloosterlingen ook hun andere kwaliteiten.

Zo beschikten de honden over een uitzonderlijk goede neus. Bij windstilte roken ze mensen tot op 300 meter, tegen de wind in zelfs tot op een paar kilometer afstand. Ook roken ze mensen door een sneeuwlaag van 2,5 tot 3 meter.

Bovendien vonden de honden in een sneeuwstorm moeiteloos de weg. Ze voelden zo'n storm gemiddeld een half uur van te voren aankomen - dan wilden ze opeens dringend worden uitgelaten, om reizigers te helpen! Sommige dieren zouden zelfs lawines voorvoelen: ze hielden dan plotseling stil of verlieten het pad. Hun begeleider deed er in zo'n geval goed aan de hond te volgen.

De honden waren sterk en schrander. Volgens sommige hondenboeken hadden ze niet of nauwelijks training nodig om mensen te redden. Ze gingen daarbij in teamverband te werk en wel als volgt: als de verongelukte reiziger onder de sneeuw lag, krabden ze hem eerst vrij. Lukte dat niet helemaal, dan drukten een of twee honden zich stijf tegen hem aan. De anderen probeerden vervolgens met luid geblaf de aandacht van de kloosterlingen te trekken. Kwamen die niet, dan renden er een paar naar het klooster om hulp te halen. Zodra de monniken arriveerden, gingen de honden opzij, om op de terugtocht weer voorop te lopen.

Natuurlijk brachten niet alle slachtoffers het er levend af. Begraven kon niet, want aarde was er bij het klooster niet. Dus werden de lijken naar een apart gebouwtje gebracht, dat door talloze reizigers met verbazing en afschuw is beschreven. Door de kou gingen de lijken namelijk niet tot ontbinding over, ze verdroogden alleen maar. De lijken werden opgesteld tegen de muren, in de hoop dat iemand ze zou herkennen. Pas als hun kleren helemaal waren vergaan en de mummies onherkenbaar waren ineengeschrompeld, gingen de restanten naar het knekelhuis. Dat kon tientallen jaren duren.

Gelukkig lukte het de honden om veel mensen te redden. In het Duits stonden ze aanvankelijk bekend als Berghunde, Klosterhunde, Hospizhunde of Alpenhunde (wat bijna de officiële naam werd). De Britten noemden ze eerst Alpine Mastiff en vervolgens, aan het begin van de negentiende eeuw, 'St. Bernhard Mastiff' of Great St. Bernard dog. In 1865 dook de naam Bernhardiner of St.-Bernardhond op - wat sinds 1880 de officiële naam is. In het kanton Bern in Zwitserland sprak men echter nog lange tijd van Barryhüng.

Die laatste naam is een eerbetoon aan de “beroemdste hond welke de geschiedenis kent”, zoals een vooraanstaande kynoloog het uitdrukt. Barry werkte van 1800 tot 1812 op de Grote Sint-Bernard. In die tijd redde hij het leven van veertig mensen, onder wie een kind, dat door haar stervende moeder op zijn rug werd gebonden. Volgens sommigen stierf Barry in 1814 in Bern, als 'rentenier'. Anderen houden het erop dat verongelukte reiziger nr. 41 Barry in zijn angst aanzag voor een verscheurend dier, en hem doodde. In ieder geval is op het hondenkerkhof in Parijs een monument voor Barry opgericht.

Barry zelf werd opgezet, eerst heel slecht, de tweede keer beter. In 1855 sloeg H. Schumacher, slager in een dorpje bij Bern, aan het fokken met een sint-bernard die sprekend op de opgezette Barry leek. Decennialang bleef dit het ideaaltype van de sint-bernard. Het verhaal gaat dat de oude prior van het klooster van Sint-Bernard, toen hij voor het eerst de honden van Schumacher zag, snikkend uitriep: “Dit is de wederopgestane Barry!”

Resteert de vraag of de sint-bernard zijn goede werk nu deed met een vaatje cognac om de nek. Het goede antwoord is: neen. Sir Edwin Landseer, een befaamde Engelse dierenschilder, verzon dit detail in 1820 voor zijn schilderij Alpine Mastiffs Reanimating a Traveller. Het is daarna niemand meer gelukt dit fabeltje uit de wereld te helpen.