Mooie dingen voor de mensheid

Dat Willem Kermaans van het groepje vandalen de leider is, of beter: de King, is met één oogopslag te zien. Hij beent met aanzienlijk meer aplomb de Bossche rechtszaal binnen dan zijn voorganger, Sjaak Wendelaar, die op de gang zijn ogen zoveel mogelijk verborgen hield onder de klep van zijn groene honkbalpet.

Willem (21) en Sjaak (19) staan voor ongeveer dezelfde feiten terecht: vernieling en geweldpleging, namelijk het op grote schaal aanbrengen van graffiti en crassity (nieuw jargon voor 'krassen') en het ruïneren van verkeersborden en boompjes. Ze moeten - meestal met hulp van een derde - voor meer dan een ton schade hebben toegebracht aan allerlei gebouwen, treinen en goederen in hun woonplaats. Hun dossiers zijn minstens dertig centimeter dik.

Willem mag van geluk spreken dat de zaak tegen Sjaak het eerst wordt behandeld. Want Sjaak is in elke vezel van zijn slungelige lichaam het prototype van de schlemiel. Waar het geluk is, daar is Sjaak nooit, en mocht hij er toevallig bij in de buurt komen, dan ziet hij het over het hoofd. Sjaak leeft niet, Sjaak bestaat.

Sjaaks ouders gingen scheiden toen hij vier jaar was. Zijn vader belandde in de gevangenis, zijn moeder in een psychiatrische inrichting. Sjaak werd van al zijn scholen verwijderd, te beginnen met de lagere school. “Ik had steeds kleine conflicten met de leraren”, legt hij uit.

“Lag het steeds aan uw leraar?” vraagt de rechter.

“Nee, ook aan mij”, zegt Sjaak haastig. “Ik ben altijd een vervelend ventje geweest, al zeg ik het zelf.”

Scholen en moeder - terug uit de inrichting - probeerden Sjaaks gedrag steeds te corrigeren. Sjaak onderging zijn straffen gehoorzaam, maar daarna ging hij op dezelfde voet verder: spijbelen, kladderen en zelfs een paar kleine inbraken. Tot mei 1994 lummelde hij maar wat rond. Toen kreeg hij zijn eerste baantje, maar al op de eerste dag werd hij ontslagen omdat hij te laat kwam.

Een uitkering heeft Sjaak nooit aangevraagd, want de formaliteiten waren hem te ingewikkeld. Mede daarom heeft hij nu een schuld van dertig mille.

De rechter, mr. J. van Biesbergen, constateert: “Graffiti zijn uw lust en uw leven, verder bent u een trage, passieve jongen. Wat moet er nu met u gebeuren?”

“Ik weet het ook niet”, zegt Sjaak. “Nou ja, ik had naar de kunstacademie willen gaan, maar ik voel nu meer voor hulpverlening aan jongeren. Ik kan ze over mijn eigen problemen vertellen.”

Het is geen idee dat de rechters doet kraaien van enthousiasme. “Je zegt dat je na de laatste aanhouding bent opgehouden met vernielingen”, zegt een bijzittende rechter, “meen je dat serieus?”

“Ik moet toch eens met die flauwekul ophouden.”

“Je bent sinds twee maanden vrij. Waarom ben je niet naar de spoorwegen en de gemeente gegaan om de boel weer schoon te maken? Ben je moe?”

“Ik ben moe van mezelf. Ik zit de hele dag thuis.”

“Waarom ga je niet mooie dingen doen voor de mensheid?”

Sommige rechters hanteren een argeloos soort retoriek, maar Sjaak is er niet vatbaar voor. “Ik dacht dat ik beter thuis kon zitten”, zegt hij schouderophalend, “dan in het café bij mijn oude vrienden.”

Sjaak is doodsbang voor detentie, waarschuwt zijn advocaat, mr. W. Sleegers. “De paar dagen dat hij vastzat, waren een drama voor hem. Hij heeft geen weerwoord tegen de mensen daar.”

Maar de officier van justitie, mr. A. Willemsen, meent dat hem weinig anders rest dan het eisen van een 'vrij lange' detentie: 21 maanden waarvan zeven voorwaardelijk.

“Maar hij is geen echte crimineel”, pleit de advocaat. “Persoonlijke, materiële behoeften heeft hij nauwelijks. Met een paar biertjes en een boterham komt hij rond. Die graffiti waren een obsessie voor hem, daar is hij nu vanaf.”

De president heeft behoefte aan nader beraad met zijn twee collega's. Tien minuten later, na de hervatting, zegt hij: “Ik wilde zien of er een mogelijkheid is hem buiten de gevangenis te houden. De rechtbank vindt dat hij zijn goede gedrag van de laatste tijd een poosje langer moet kunnen bewijzen.”

Eerst moet Sjaak de nog openstaande dienstverlening in een oude zaak voltooien. Lukt dat, dan zal ook de nieuwe straf in dienstverlening worden omgezet. Kort na de zomerperiode zal de rechtbank beoordelen of Sjaak daarvoor in aanmerking komt. De officier gaat akkoord.

“Ik juich deze optie toe”, zegt de advocaat, “er is nu een stok achter de deur.”

Ook voor Willem Kermaans, die Sjaak aflost voor het hekje, is deze humane oplossing goed nieuws. Hij wordt immers in grote lijnen van dezelfde delicten beschuldigd. De rechter vraagt waarom hij zichzelf 'de King' noemde. “Ik ben nogal goed”, zegt Willem met een lachje. “Ze zeggen dat ik de leider ben, maar 'de King' is voor mij iemand die goed is.”

Hij bedoelt: goed in zijn 'vak' van graffiteur. En dat wàs Willem: zijn beschilderingen waren kunststukjes. Sinds twee maanden volgt hij met veel animo een grafische vakopleiding. “Als ik straks naar het grafisch lyceum kan, heb ik bereikt wat ik wil bereiken.”

Maar eerst hebben de rechters nog enkele giftige appeltjes met Willem te schillen. Want, in tegenstelling tot Sjaak, kan hij bijzonder agressief worden. Tegen de chef van het schoonmaakteam dat zijn graffiti steeds verwijderde, zei hij eens: “Ik sla je in elkaar.” Hij volgde de man ook naar diens huis en bleef er vaak luguber door de ramen staren.

Een lokettiste van NS - de jongens kliederden veel in de hal - raakte overstuur toen Willem haar toevoegde: “Vies, vuil kutwijf, ik wacht buiten op je.”

“Hoe denkt u dat dat overkomt?” vraagt een rechter.

“Ik heb daar niet bij stilgestaan.”

“Waarom bekladde u die muren steeds weer opnieuw?”

“Het zijn goed zichtbare locaties. Hoe vaker en hoe groter je naam erop staat, hoe beter. Dáár gaat het in de graffitiwereld om. Ik heb het nooit gedaan om het schoonmaakteam te treiteren.”

“Dus alles moest wijken voor úw belang?”

“In feite wel.”

“Niemand had u uitgenodigd om te komen kladderen.”

“Ik kladder niet, ik schilder.”

Een straathoekwerker vertelt de rechters dat het de laatste drie maanden aanzienlijk beter gaat met Willem. Hij heeft hem in staat gesteld een expositie van zijn werk in te richten. “Hij moet met zijn kwaliteiten zijn boterham gaan verdienen.”

De rechtbank besluit Willem dezelfde soort kans te geven als Sjaak: in oktober komt zijn zaak opnieuw voor.

“Bent u bereid intussen wat muurtjes schoon te maken?” vraagt een rechter.

“Dat is voor mij de zwaarste straf”, zucht Willem, “maar ik ben bereid.”

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.