Interventiemacht Bosnië: 'zelfhulp' van het Westen

Het ijltempo waarmee de internationale gemeenschap een snelle 'reactiemacht' van zo'n tienduizend man voor Bosnië uit de grond stampt, is ongekend in vier jaar oorlog op de Balkan. Na het principe-besluit van de internationale contactgroep tot de oprichting, vorige week maandag, was er zaterdag al de feitelijke vorming. Zoveel daadkracht heeft het Westen na jaren van weifelen en terugdeinzen nog niet laten zien in Bosnië en omstreken.

De maatregel is geworteld in haast en wanhoop, door de toenemende beschietingen en gijzelingen van VN-blauwhelmen. En het is de vraag of een dergelijke noodsituatie ruimte laat voor het doordenken van alle risico's die aan zo'n interventiemacht kleven. Aan de andere kant: heeft het Westen een alternatief nu het zich min of meer in de eigen voet heeft geschoten met de laatste NAVO-bombardementen en de meteen daaropvolgende gijzelingen?

De belangrijkste vragen zijn nog altijd niet opgelost. Waar gaan de nieuwe, niet-blauwgehelmde soldaten precies naar toe, wat gaan ze daar doen, krijgen ze behalve een VN-commando boven zich ook een formeel mandaat van de VN en wat betekent hun komst in de praktijk voor de al aanwezige commando-structuur en de samenwerking met de blauwhelmen van de VN-vredesmacht? Huiselijk geformuleerd: kan er iemand straks nog wijs uit een zee van blauwe en groene baretten? Als het Westen met twee kleuren hoofddeksels over de Balkan gaat, rijst de vraag of het niet de schizofrene combinatie van principiële neutraliteit èn bereidheid tot interventie verheft tot beleid.

Het is nog niet zeker of die nieuwe strijdmacht er wel komt, want de Veiligheidsraad zal het groene licht moeten geven, zowel voor de strijdmacht als haar mandaat. En Rusland heeft al gezinspeeld op een veto: het wil geen Westerse interventie in ex-Joegoslavië. Dat herhaalde president Jeltsin dit weekeinde nog eens in een telefonisch onderhoud met de Franse president Chirac. Minister Kozyrev, een week geleden nog akkoord met het besluit tot 'een militaire capaciteit om snel te kunnen reageren', keert zich nu tegen een snelle reactiemacht.

Daarmee ligt nog een verhit internationaal debat in het verschiet. En onduidelijk daarbij is de opstelling van VN-secretaris-generaal Boutros-Ghali, die vorige week voorstelde een multinationale macht juist niet onder VN-commando in te zetten. Gebruik van geweld past immers niet bij het vredebewarende karakter van de VN-missie in Bosnië.

De vorming van een snelle reactiemacht om benarde blauwhelmen te helpen, is hoe dan ook hoogst riskant. Scenario's die de kans op succes enigszins aannemelijk maken, zijn op voorhand niet aanwezig; daarvoor is de Bosnische-Servische leiding te onberekenbaar.

De eerste optie is die van de vrede: als de snelle reactiemacht erin slaagt de Bosnische Serviërs van aanvallen op de VN-vredesmacht te weerhouden, kan dat er niet alleen toe leiden dat de blauwhelmen weer toekomen aan hun humanitaire missie in Bosnië, maar zelfs dat Radovan Karadzic weer aan de onderhandelingstafel plaatsneemt.

De tweede mogelijkheid is een catastrofe: de Bosnische Serviërs laten zich niet intimideren, en de internationale gemeenschap raakt in grote moeilijkheden. Als de snelle reactiemacht haar hand overspeelt in confrontaties met de Bosnische Serviërs, kan ze partij worden en verwikkeld raken in een grondoorlog die al snel aan Vietnam of Afghanistan zal doen denken.

Zo'n toestand kan alleen worden beëindigd met terugtrekking van niet alleen de snelle reactiemacht, maar ook van de blauwhelmen die ze geacht werd te helpen. Als de snelle reactiemacht partij wordt, worden de blauwhelmen dat ook. In dat geval moet de internationale gemeenschap het oorlogstoneel overlaten aan de drie strijdende partijen en is de interventie van het Westen en van de VN op een fiasco uitgelopen.

Veel zal ervan afhangen of de snelle reactiemacht erin slaagt de subtiele grens in het oog te houden tussen het intimideren van de Bosnische Serviërs en tegelijkertijd geen partij te worden. Die eierdans lijkt een bijna hopeloze onderneming. In de stafkamers van de legerleiding is die grens misschien wel helder te trekken, maar in het veld liggen de zaken heel anders: daar kunnen onwillige commandanten van de Serviërs snel roet in het eten gooien door zich niet te laten afschrikken, de wapens op te nemen en de snelle reactiemacht te verwikkelen in gevechten. Alleen als die snel worden beëindigd, kunnen de autoriteiten in Zagreb of Sarajevo of Pale concluderen dat de reactiemacht geen partij in de oorlog is geworden.

Maar als er langdurige gevechten of patstellingen ontstaan is de neutraliteit van de internationale gemeenschap van de baan en is het gevaar van verdere escalatie levensgroot. Dan overschrijdt de reactiemacht al snel de zogeheten 'Mogadishu-line', zoals de Amerikanen die in 1993 in Somalië een van de partijen de oorlog verklaarden met fatale gevolgen voor hun missie.

Het fundamentele probleem van de inzet van militairen in Bosnië - de keus tussen peacekeeping en peace enforcing (het opleggen van vrede) die de achilleshiel van de inzet van de blauwhelmen is geworden - heeft de internationale gemeenschap nog steeds niet opgelost. De strijdende partijen in Bosnië is indertijd, toen blauwhelmen werden gestuurd, om hun instemming gevraagd. Daarmee werd het concept van peacekeeping - een militaire aanwezigheid als neutrale macht, met instemming van de strijdende partijen - een gegeven.

Ditmaal wordt de Serviërs niet om hun mening gevraagd. Integendeel: de snelle reactiemacht komt er uitdrukkelijk om blauwhelmen te ontzetten - en het zijn voornamelijk Serviërs die blauwhelmen aanvallen of belegeren. Zo schuift de internationale gemeenschap - als het allemaal doorgaat - flink op van peacekeeping naar peace enforcing. Dat laatste heeft het Westen juist altijd willen vermijden.

De internationale gemeenschap bouwt daarom haar militaire potentieel tegen wil en dank op: het Westen wil niks in Bosnië, en omdàt het niks wil en zijn blauwhelmen gevaar heeft laten lopen, moet het er nu morrend en noodgedwongen met veel zwaardere middelen naar toe dan iedereen lief is.

De Amerikaanse president Clinton heeft daarbij de afgelopen dagen weer zijn Bosnische pirouettes gedemonstreerd: vorige week woensdag wijzigde hij een jarenlang gevoerd beleid met de mededeling de NAVO met grondtroepen te willen bijspringen voor een “terugtrekking of een hergroepering en een versterking” van de VN-vredesmacht, vooral uit solidariteit met de Europese bondgenoten.

Vervolgens schrok hij van de negatieve reacties van de Republikeinen en de media, en afgelopen zaterdag vertolkte hij weer het oorspronkelijke standpunt door de voorwaarden voor Amerikaanse deelname te verkleinen: VS-troepen worden niet ingezet voor grondgevechten, maar alleen om blauwhelmen “in veiligheid te brengen”, in “het hoogst onwaarschijnlijke geval” van een terugtrekking van de VN-vredesmacht.

De 3.500 man die de VS nu naar Italië sturen, zijn dan ook daarvoor bedoeld. Een terugtrekking uit Bosnië lijkt nu niet aan de orde, al gaven hoge militairen zaterdag in Parijs toe dat de eenheden die nu de snelle reactiemacht vormen ook kunnen worden ingezet voor een mogelijke evacuatie van de VN.

Wie zich bedenkt dat de internationale diplomatie jarenlang niet heeft willen kiezen tussen vechten of vertrekken op de Balkan, kan nu vaststellen dat het Westen vanzelf in de richting van 'een beetje vechten' gezogen wordt. Het is een lapmiddel voor een al jaren omstreden missie, maar vooral ook een extreme vorm van zelfhulp.