“Goede nabuurschap kan niet gedijen op vergiftigde bodem”

MÜNCHEN, 6 JUNI. Groter contrast was er dit Pinksterweekeinde in München niet te vinden: aan de ene kant van de Theresienhöhe, de brede verkeersweg die langs de Theresienweide leidt, trokken de witte tenten van het Cirque du Soleil veel jong trendy publiek, aan de andere kant stroomden tienduizenden aanzienlijk oudere Duitsers, deels uitgedost in traditionele klederdrachten, naar het Münchener jaarbeursterrein, waar dit jaar de 46ste bijeenkomst van de Sudetendeutsche Landmannschaft werd gehouden.

Voor de Sudetenduitsers, de meest militante en best georganiseerde groep van de naar schatting 14 miljoen etnische Duitsers die na de Tweede Wereldoorlog werden verdreven uit Polen, uit het toenmalige Tsjechoslowakije, uit Oost-Pruisen en uit al die andere streken ten oosten van de Oder die in 1945 onder communistische heerschappij kwamen, is 1995 een bijzonder jaar. Terwijl de hele wereld de afgelopen maanden de herdenking van het einde van de oorlog en het einde van de naziterreur heeft herdacht, is voor hen, de Heimatvertriebene, het ogenblik aangebroken om het begin te herdenken van de nasleep van die oorlog: de in juli 1945 bij het Verdrag van Potsdam overeengekomen gedwongen deportatie van 'Volksduitsers'. Het was een operatie die “op humane wijze en ordelijk” had moeten verlopen, maar waarbij zo'n twee miljoen mensen, meestal door ziekte, honger of uitputting, maar vaak ook door geweld, om het leven zijn gekomen.

'Onrecht verjaart niet', was dit keer het motto waaronder de traditionele pinksterbijeenkomst van de Sudetenduitsers werd gehouden. En alle sprekers, van Landmannschaftsvoorzitter Franz Neubauer, via de voorzitter van de CSU en minister van financiën Theo Waigel, tot de Beierse minister-president, Edmund Stoiber, hamerden op dat thema. Wie zich die leuze het meest moet aantrekken is de regering van de Tsjechische republiek, die tot dusverre een vrij passieve en afwachtende houding heeft aangenomen in het vraagstuk van de Sudetenduitsers. Praag wordt echter steeds meer tot de conclusie gedwongen dat de weg naar Brussel - het eventuele lidmaatschap van de Europese Unie - niet uitsluitend via Bonn voert. Maar vooral ook via München, de hoofdstad van de deelstaat waar het merendeel van de Sudetenduitsers een beschutte woonplaats heeft gevonden.

Afgezien van de radicaalste groepen, die leuzen verdedigen als '224.000 Sudetenduitse boerenfamilies geven hun Heimat en hun eigendom niet op', beseffen de meeste Sudetenduitsers wel dat dit soort onrecht, de onteigening, niet meer ongedaan kan worden gemaakt. De Tsjechische republiek zou er het geld niet voor hebben om de ongeveer drie miljoen verdreven Sudetenduitsers schadeloos te stellen voor de geconfisqueerde goederen en de Tsjechische regering zou zich de woede van de bevolking op de hals halen wanneer de na meer dan veertig jaar communisme juist weer enigszins op orde gebrachte eigendomsverhoudingen opnieuw op losse schroeven zouden worden gezet.

Wat de Sudetenduitsers allereerst willen is dat Tsjechië erkent dat hun vijftig jaar geleden onrecht is gedaan - een bevolkingsgroep waarvan sommige geslachten al sinds de middeleeuwen het noorden, het westen en zuiden van Bohemen en grote delen van Moravië en Silezië bewoonden. En dat het decreet waarbij amnestie werd verleend voor misdaden die tegen Duitsers werden begaan wordt ingetrokken.

“Ze hebben ons eruit gegooid, en dat kun je moeilijk vergeten”, zegt de 65-jarige Karl Rössla. Hij woonde tot het eind van de oorlog in een bergdorp in de buurt van 'Olmütz', oftewel Olomouc, zoals de stad in het noorden van Moravië in het Tsjechisch heet. Omdat hij lid van de jeugdorganisatie Werwolf was geweest zat hij een jaar in een krijgsgevangenenkamp in 'Breslau' (het Poolse Wroclaw), voordat hij door de hulp van een oude leraar in 1946 werd vrijgelaten en naar Beieren mocht vertrekken. Aan het verblijf in het kamp had hij een nierbeschadiging overgehouden, waardoor hij zijn werk als bakker moest opgeven en werd omgeschoold tot drukker. Maar Rössla heeft, anders dan veel andere Sudetenduitsers, geen heimwee naar zijn geboorteplaats. In 1979 is hij er een keer teruggeweest. “Het was daar toen alsof je plotseling vijf meter naar beneden stortte, alsof je in een andere wereld terechtkwam.” Toen hij een tweede keer ging, in 1990, was het beter. Bij dat bezoek heeft hij aarde meegenomen en die is in de kist van zijn moeder meebegraven. Op het kerkhof van het bergdorp lagen nog familieleden van hem. “Alles was er kapot.” Nee, in dat dorp hoeft Rössla niet meer te wonen. Over het begrip Heimatrecht, waar de Sudetenduitsers zo op hameren, haalt hij zijn schouders op: “Heimatrecht bestaat niet voor mij, het is daar misschien wel mijn Heimat, maar recht doe ik er niet op gelden.”

Vroegere bewoners van het 'Wischauer taaleiland' (de omgeving van het ten oosten van Brno gelegen Vyskov) zijn positiever over het weerzien met hun geboorteplaats. “We hadden een hele goede verhouding met de daar wonende Tsjechen, de Duitsers woonden daar al eeuwenlang”, zegt een oudere vrouw die bij het stalletje 'Aus der Wischauer Sprachinsel' huisvlijtprodukten verkoopt. “Voor '89 mochten de mensen er niet met ons praten, maar sindsdien worden we jaarlijks hartelijk ontvangen, het is elke keer weer alsof je thuis komt. In 1990 hebben we gezamenlijk een verzoeningskerkdienst gehouden, wij in onze klederdracht, de Tsjechen in de hunne, in het Tsjechisch en het Duits.”

Roswitha Seeliger was als 22-jarige uit 'Reichenberg' (Liberec) verdreven. Ze is het niet eens met de bepaling dat de Sudetenduitsers weliswaar als gasten welkom zijn, maar zich niet in de Tsjechische republiek mogen vestigen. “We hebben in de afgelopen jaren veel opgeknapt in het gebied, de kerk gerestaureerd, het kerkhof hersteld, waarom zouden we er niet mogen wonen?”

Onder trompetgeschal paradeerden zondagmorgen groepen in de meest uitzinnige klederdrachten gestoken Sudetenduitsers door de grootste hal van het jaarbeurscomplex achter de vaandels van de Boheemse en Moravische nederzettingen in het voormalige Sudetenland. Mannen met ronde, door kleurige bloemen omkranste zwarte hoeden, in zwarte kniebroeken, met daaronder witte, met noppen bedekte kniekousen. Vrouwen met uitstaande rokken en witte mutsen, alles strak gesteven en geplooid, zoals in de zeventiende eeuw.

“Alleen wie het zelf heeft ervaren, weet wat verdrijving betekent”, zegt Edmund Stoiber. En: “Goede nabuurschap kan niet gedijen op een vergiftigde bodem.” Hij roept de Tsjechen op met de Sudetendeutsche Landmannschaft te praten en stelt voor dat Bonn daartoe een regeringscommissaris van SL-huize aanstelt. En ook dat er een gezamenlijk fonds wordt gevormd waaruit Tsjechische en Duitse slachtoffers van de oorlog en de nasleep ervan worden ondersteund.

De menigte keert terug naar de hallen met de tafels en de banken en zet het ophalen van herinneringen in de kring van oude kennissen, de kennissen uit de oude vertrouwde omgeving uit hun jeugd, voort. Er wordt bier gedronken, er wordt goulashsoep gegeten, er wordt gezwolgen in een met emoties beladen, een verbeten-folkloristische nostalgie.