Generaal Richter

Ik fiets langs mijn oude gracht. Vijf jaar lang was het mijn plek: een kamer net om de hoek in de ene straat, eentje om de hoek van de andere en ten slotte een huis op de gracht zelf. Vijf eerste jaren in Amsterdam. En twintig jaar lang kwam ik er niet meer terug.

Dit is een jaar waarin stiltes vallen. Ik rijd daar, aan de overkant, en kijk over het donkere water naar mijn eigen stukje gracht. De huizen zijn nog steeds van hetzelfde grauw, een enkel wit huis ertussenin. Een paar meter links van mijn oude huis staat een rozestruik in bloei. Het is een rode klimroos. Boven het zwarte water en de grauwe stoep, klimt zij tegen de donkere gevel. Zij moet wel haast drie meter hoog zijn en twee meter breed. Het middaglicht valt er vanuit het zuiden op, hoog, vanaf het Rijksmuseum. Ik draai mijn fiets de brug op en ga kijken.

Even sta ik stil bij mijn oude voordeur en probeer daar de naambordjes te lezen. Ik stop als ik merk dat ik bekeken word door mensen links van mij. Het zijn een man en een vrouw, zestigers. Hij staat boven op het bordesje van een stenen trap, zij beneden op de stoep met iets in haar handen. Ze zijn donker gekleed als in bewuste harmonie met hun leeftijd en achtergrond. Het lijkt geen echtpaar, maar uit hun houding spreekt een jarenlange vertrouwdheid. Zoals ze daar staan, lijken ze bij elkaar te horen als een weermannetje en -vrouwtje. Heb ik ze gekend? Ik weet het niet, probeer in gedachten die 25 jaar uit hun gezichten weg te strijken, de kleur er weer bij te bedenken. Niets wil samenvallen met een herinnering.

Ik sta er al een paar seconden en dat is te lang. Ik moet iets zeggen. Ik kijk naar de roos. Zij is een ouderwetse enkelvoudige, de soort die ik het allermooist vind. De kleur van de bloemblaadjes is zuiver rood. Nu ik er naast sta en een beetje tegen het licht in moet kijken, lijken de bloemen te gloeien. Het zijn er beslist honderd. Zo zou mijn roos er uit moeten zien en ik heb dan ook maar één vraag.

“Hoe heet zij”, zeg ik tegen de vrouw, en “Wat is zij mooi.” “Generaal Richter”, zegt ze, “ja, zij is mooi, maar je moet wel vijfentwintig jaar wachten voor het iets is.”