Componist Vivier bood een heldere blik op de duisternis van de dood

Concert: Asko- en Schönberg Ensemble onder leiding van Reinbert de Leeuw, met Louis-Philippe Pelletier piano en andere. Werken van Claude Vivier. Gehoord 3/6, Beurs van Berlage Amsterdam.

Mysterieus is de bekentenismuziek van Claude Vivier, die in 1983 door een twintigjarige verslaafde, die Vivier in Parijs op straat had opgepikt, dood werd neergestoken. Maar zijn werk, zaterdagavond in de Beurs van Berlage op een bijzondere wijze gepresenteerd door de gecombineerde Asko-Schönberg Ensembles, is méér dan alleen geheimzinnig.

Je franchirai serein le seuil de la terreur (Waardig zal ik over de drempel der verschrikking stappen), zo luidt de zin waarmee de Prologue pour un Marco Polo plotsklaps afbreekt: bijna muziekdrama. Het gehele oeuvre van de Canadees is trouwens te beschouwen als één theatrale compositie in een vijftigtal onderdelen. Zo werd het ook gebracht: de diverse stukken volgden elkaar zonder onderbreking op, soms verbonden door sfeermuziek op de band, terwijl een stemmig lichtspel een buitenmuzikale component suggereerde.

Viviers muziek biedt een heldere en duizelingwekkende blik op de duisternis van de dood, op het uitwissen van het zijn, zoals hij ergens noteert. En in zijn laatste onvoltooid gebleven compositie Glaubst du an die Unsterblichkeit der Seele wordt zelfs de moord in Parijs beschreven, uitvoerig als in een documentaire. Geen wonder dat er is gespeculeerd over een in scène gezette zelfmoord. De werkelijkheid zal wel nooit te achterhalen zijn, feit is dat Viviers eerste volwaardige compositie Chante (voor zeven vrouwenstemmen uit 1973) reeds de vorm heeft van een muzikaal dodenritueel.

Viviers werk is echter meer dan autobiografie, meer dan mysterie. Een tweede, zeker zo belangrijke, pijler verwijst naar een vlucht in een kunstmatig paradijs, in de bizarre wereld van de Oriënt. Vooral typerend is zijn poging een eigen exotische taal te scheppen.

Vivier zei: “Dat ik mijn vader en moeder nooit gekend heb deed mij belanden in een prachtige droomwereld; ik gaf vorm aan mijn afkomst door te doen alsof ik vreemde talen sprak.”

Zo ontstond een muziek met associaties als aan goudbrokaat en zijdeglans, aan parelmoer en pauweveren, aan pluche klanken traag en zacht, meer wiegend dan bewegend. Een sprookje dat wreed wordt verstoord wanneer de doodsobsessie door de extatische hunkering heenbreekt. Fascinerend is hoe in Zipangu voor dertien strijkers, nu eens zonder zangstem en dan ook een van zijn meest gestileerde werken, de soloviolist die dwars door het liefdeslied krast, een bijna lijfelijke sensatie. Het is alsof de componist zich realiseert dat het paradijs alleen maar in noten bestaat.

Op vorige concerten stoorde het me dat Vivier zo eenzijdig melodisch componeert. Er ontbreekt elke vorm van contrapunt en de harmoniek is bepaald arm, zeker in een vergelijking met Messiaen waarmee hij veel gemeen heeft. Maar omdat ditmaal grotere ensemblestukken op het programma stonden, was het voor Vivier - die van Stockhausen leerde hoe hij boventonen structureel kon inzetten - ook mogelijk om meer te woekeren met klankkleur, zijn specialiteit. Zo biedt zijn werk een optelsom van Franse (post-Satie/Messiaen) en Duitse (post-Wagner/Stockhausen) invloeden, wat hem enigszins ongrijpbaar maakt. Maar tijdloos is misschien een te groot woord.

Overigens mocht het grote succes van zaterdagavond op het conto van Reinbert de Leeuw en de zijnen worden geschreven. Viviers smeken om liefde, die schadende schoonheid, schor en met overslaande stem, heb ik niet eerder zo beklemmend ondergaan.