Bosnische crisis doet Europese militairen eindelijk samenwerken

De snelle interventiemacht van Nederlandse, Britse en Franse troepen zal geen einde maken aan de oorlog in Bosnië. Toch is de vorming ervan volgens Jonathan Eyal van groot belang. Nu de nood hoog is worden plots de contouren zichtbaar van een Europese defensie-identiteit.

De snelle interventiemacht voor het voormalige Joegoslavië die dit weekeinde in Parijs is gevormd in een gezamenlijke actie van de Nederlandse, Britse en Franse regering, zal een oplossing van de huidige crisis in Bosnië uiteindelijk geen stap dichterbij brengen. Niettemin is de maatregel voor Europa een belangrijke ontwikkeling. Langzaam, aarzelend nog, begint zich een Europese defensie-identiteit af te tekenen, meer toevallig dan opzettelijk. Er blijkt zowaar een verdeling van verantwoordelijkheden op veiligheidsgebied tussen Europa en de Amerikanen te zijn gevonden. En hoewel niet scherp of coherent, zou die verdeling wel eens duurzamer kunnen zijn dan de andere papieren bouwsels die het debat over de strijdkrachten in Europa tot dusver domineerden.

Het heeft weinig zin te gissen naar wat de snelle interventiemacht kan gaan doen, want ze is nu juist in het leven geroepen om géén antwoord te geven op de vele, inherent onoplosbare, Bosnische problemen. In de eerste plaats moet ze voor uitstel zorgen: de extra artillerie die nu in Joegoslavië is gearriveerd zal de vuurkracht van de VN vergroten, terwijl de nieuwe helikopters de mobiliteit verschaffen die een VN-troepenmacht nodig heeft om Bosnië te verlaten wanneer de gevechten zich over een groot gebied uitbreiden.

Het staat wel vast dat alle beschikbare opties voor de nieuwe interventiemacht hoogst riskant zijn. De eerste optie is meer bescherming bieden aan de internationale srijdkrachten in Bosnië. Theoretisch is het mogelijk de VN-troepen te concentreren in Midden-Bosnië. Humanitaire konvooien kunnen dan als voorheen worden geëscorteerd, en als ook voor luchtdekking wordt gezorgd kunnen de verliezen voor de VN tot een minimum worden beperkt. Bescherming van de VN is echter alleen doenlijk als de organisatie de zes 'veilige gebieden' in Bosnië opgeeft. Maar dat is politiek ondenkbaar, en dus zullen de VN-strijdkrachten over heel Bosnië verstrooid blijven en zijn slachtoffers, ook bij eventuele betere bescherming, praktisch niet te voorkomen.

Een soortgelijke afweging geldt voor de andere optie die thans wordt besproken, de totale terugtrekking. Theoretisch zijn de Verenigde Staten bereid een dergelijke operatie te steunen. Maar de ernstigste complicatie hierbij is dat de Bosnische regering al het mogelijke zal doen om terugtrekking te vertragen. In de praktijk zullen de Westerse regeringen een eventuele terugtrekkingsoperatie dus in het geheim moeten voorbereiden en zeer snel moeten uitvoeren. De legering van extra troepen nabij Joegoslavië is een voorbereiding op een mogelijk vertrek.

Ten dele om zulke afschuwelijke keuzes te vermijden verlaat men zich nog steeds sterk op de diplomatie. Het Westen gaat ervan uit dat president Slobodan Milosevic ertoe te bewegen is de oorspronkelijke grenzen van Bosnië te erkennen. Die erkenning zal, meent men, de Bosnische Serviërs isoleren en dwingen het vechten te staken. Tweemaal fout. Ten eerste zullen de Bosnische Serviërs met plezier een overeenkomst tekenen: ze hebben meer land dan ze nodig hebben, en zijn zelfs bereid een deel daarvan te ruilen met de moslims. Het is de Bosnische regering die koste wat kost wil doorvechten, en hoofdzakelijk omdat ze meent meer voordeel te kunnen behalen op het slagveld dan aan de onderhandelingstafel. Belangrijker is echter dat president Milosevic Bosnië alleen zal erkennen binnen het oorspronkelijke vredesplan van de Contactgroep, waarin de verdeling van Bosnië als zodanig werd aanvaard. En ten slotte zullen, ongeacht wat Servië doet, de Serviërs in Bosnië hun posities pas opgeven onder druk van geweld, en daartoe zijn de moslims nog altijd niet in staat. Met de huidige overeenkomst beogen de Westerse regeringen daarom in de eerste plaats hun kwade geweten te zuiveren, en niet een eind te maken aan de etnische zuiveringen. Het zal de noodzaak tot ingrijpender besluiten over de reikwijdte van de militaire bemoeienis in Joegoslavië echter niet wegnemen.

Vanaf het begin van de Joegoslavische oorlog hebben Westerse regeringen gemeend dat zij zelf uitmaakten in hoeverre ze betrokken zouden raken in de troebelen op de Balkan. De vorming van een snelle interventiemacht vormt de eerste openlijke erkenning dat het Westen de gebeurtenissen op de Balkan niet in de hand heeft, en dat er thans geen andere weg openstaat dan te zorgen dat men op alles voorbereid is. De strijdmacht die nu wordt gevormd zal in noodgevallen theoretisch ter beschikking staan van het VN-commando; in de praktijk is het een multinationale formatie die eerder loyaliteit verschuldigd is aan de NAVO dan aan de VN. In laatste instantie is de snelle interventiemacht meer een politiek dan een militair instrument en daarom is de onduidelijkheid over haar taak waarschijnlijk haar sterkste wapen.

Die onduidelijkheid laat de Serviërs in onzekerheid over de vraag wat het Westen in de zin heeft, en vermoedelijk blijft dat bij de huidige gijzelaarscrisis hun enige reactie. De vorming van een snelle interventiemacht laat ook de moslims in onzekerheid: de regering in Sarajevo weet dat iedere opleving in de gevechten tot de totale terugtrekking van de VN-troepen kan leiden, en dus tot nog groter rampspoed voor alle burgers in Bosnië.

Het grootste belang van de nieuwe troepenmacht betreft echter de planning van de beide supermogendheden, de VS en Rusland. Niemand in Europa twijfelt aan president Clintons belofte dat hij de Europeanen te hulp zal komen in het geval van een terugtrekking. De negatieve zin waarin het Amerikaanse Congres vorige week op deze plannen reageerde wijst er echter op dat het Washington wel eens moeilijk kon vallen die belofte gestand te doen. Door extra strijdkrachten in de buurt van Joegoslavië te stationeren kunnen de Europeanen althans zorgen dat ze met de terugtrekking van hun troepen kunnen beginnen, ongeacht de opstelling van Washington. Moskou was altijd al gekant tegen de bemoeienis van de NAVO op de Balkan, niet omdat Rusland voor de Serviërs een 'historische' liefde koestert, maar vooral omdat het Kremlin wil voorkomen dat het Westen zijn eigen zin doet in een gebied dat het tot de eigen invloedssfeer rekent. Door de snelle interventiemacht ter beschikking van de VN te stellen, probeert het Westen zijn militaire vermogen op de Balkan op te voeren zonder de Russen nodeloos voor het hoofd te stoten.

Nederlandse parlementariërs die weldra de Nederlandse deelname aan deze strijdmacht moeten bekrachtigen, stellen zich terecht de vraag of deze veronderstellingen wel valide zijn. Tenslotte hebben al tal van eerdere Westerse plannen die er op papier prachtig uitzagen, bij gebrek aan kennis van de realiteit op de Balkan uiteindelijk gefaald. Het gevaar dat men verder verstrikt raakt in het conflict op de Balkan is reëel. Maar de kansen die de vorming van een snelle interventiemacht met zich meebrengt, zijn even reëel. Wat voor vrede er in Bosnië ten slotte ook uit de bus komt, het staat haast wel vast dat die zal moeten worden bewaard met internationaal militair toezicht. Het Westen kan daar nu troepen voor leveren, indien nodig. Belangrijker is dat thans voor het eerste enkele vooraanstaande landen in Europa samenwerken om een reële dreiging het hoofd te bieden.

Sinds het einde van de Koude Oorlog is Europa lamgelegd door abstract getheoretiseer over veiligheidsstructuren. Deze discussie was grotendeels zinloos. Europa is geworden wat het is door onvoorziene crises en ad-hoc-reacties. De crisis in Bosnië is daar een schoolvoorbeeld van, en het feit dat Nederlandse, Britse en Franse strijdkrachten nu samenwerken, met Amerikaanse en uiteindelijk ook Duitse logistieke steun, verdient aanmoediging. De snelle interventiemacht zal misschien nog niet veel kunnen doen om een eind te maken aan het geweld op de Balkan, maar het voorbeeld dat ze stelt voor de Europese samenwerking zal niet snel worden vergeten. Ooit zullen de historici boekstaven dat Europa de uitdaging van groepen Servische vrijbuiters nodig had om de Britten meer bij de gezamenlijke Europese defensie te betrekken, en de Fransen meer bij de NAVO. Ook al zou dat de enige verdienste blijken van de nu gevormde snelle interventiemacht, dan nog zal dat geen geringe verdienste zijn.