Alleen omscholen redding voor allochtoon; Voorzitter van metaalwerkgevers ageert fel tegen 'onzinnige registratiewet' van Melkert

DEN HAAG, 6 JUNI. De groei van de beroepsbevolking bestaat voor meer dan driekwart uit allochtonen. De allochtone beroepsbevolking groeit met 4,5 procent per jaar, drie keer zo hard als de autochtone beroepsbevolking. Ook al neemt het aantal banen dankzij de hoogconjunctuur weer rap toe, deze groei is onvoldoende om het nog sneller groeiend aantal allochtonen volledig te absorberen. De werkloosheid onder allochtonen stijgt dan ook met de dag. Vooral onder Marokkanen en Turken, waarvan 75 à 85 procent niet meer dan lager onderwijs heeft genoten. Tot zover de feiten, zoals die onder meer vermeld staan in het jongste rapport van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) Ruimte aan werk.

Wat doet de politiek? Die kan bij zo'n nijpend maatschappelijk probleem niet werkeloos toezien. En doet dat ook niet. Op 17 maart 1992 presenteerden de toenmalige oppositiepartijen VVD, D66 en Groen Links een initiatiefwetsvoorstel om bedrijven en overheidsorganen met meer dan 35 werknemers te verplichten jaarlijks te rapporteren over het aantal allochtonen dat ze in dienst hebben. De wet werd met steun van de PvdA aangenomen. Op 1 juni 1995 moesten de werkgevers hun eerste rapportage bij de Kamers van Koophandel hebben gedeponeerd. Slechts een handvol bedrijven blijkt aan deze verplichting te hebben voldaan.

Minister Melkert en Tweede Kamerleden reageerden afgelopen week furieus. Ze overwegen nieuwe, verdergaande stappen tegen de werkgevers en willen daarover deze week debatteren. Volgens voorzitter J.L. van den Akker van de vereniging van werkgevers in de metaal- en elektrotechnische industrie (FME) houden de politici zich louter bezig met symptoombestrijding. Om partijpolitieke redenen worden volgens de werkgeversvertegenwoordiger “onzinnige wetten bedacht, die niet blijken te werken omdat betrokkenen er het nut niet van inzien”. Toch wil de politiek doordrukken. Het door veel volksvertegenwoordigers bepleite “primaat van de politiek” zal komende week lijnrecht komen te staan tegenover het door werknemers- en wergeversvertegenwoordigers ervaren “primaat van de maatschappij”.

“Met registreren en rapporteren krijg je geen allochtoon méér aan het werk”, zegt Van den Akker. “De registratie- en rapportageplicht is een typische partijpolitieke oplossing die niet werkt. Een onzinnige maatregel die zo snel mogelijk van tafel moet.” Van den Akker geeft een voorbeeld van de onzinnigheid, zoals die door zijn 1.250 leden (met in totaal een kwart miljoen werknemers) wordt ervaren. “De wet bepaalt bijvoorbeeld dat bij algemene maatregel van bestuur moet worden vastgesteld op welke doelgroepen de wet van toepassing is. Op dit moment zijn dat mensen die zelf, of van wie de ouders geboren zijn in een tiental met name genoemde landen, waaronder Suriname, de Nederlandse Antillen, Marokko en Turkije. Een onderneming waarvan het personeelsbestand voor honderd procent bestaat uit Rwandezen of mensen uit Burundi zou niet voldoen aan de bedoeling van de allochtonenwet: meer allochtonen aan het werk.”

De grootste onzinnigheid is volgens Van den Akker echter dat de wet ervan uit gaat dat werkgevers discrimineren. Daarvan is volgens hem geen sprake. “Als discriminatie de oorzaak zou zijn, hoe verklaar je dan dat 9 procent van de werknemers in de metaal-, de elektronische- en de elektrotechnische industrie allochtoon is? In de afgelopen twee jaar en vijf maanden heb ik 375 lidbedrijven bezocht. Ik weet wat er in hun bedrijven speelt. Bij veel bedrijven, zoals het bedrijf waar ikzelf vandaan kom (Van den Akker was, voordat hij voorzitter van de FME werd, president-directeur van Hunter Douglas Europe, red.), bestaat het aantal werknemers op de bedrijfsvloer voor 35 à 40 procent uit allochtonen. Er zijn bedrijven in de Rijnmond waar het al gauw om 60 à 70 procent allochtonen op de werkvloer gaat. Je kunt dus niet zeggen dat werkgevers het verdommen om allochtonen in te schakelen. In de Stichting van de Arbeid is in 1991 afgesproken om uiterlijk dit jaar 60.000 allochtonen meer aan de slag te helpen. Dat getal wordt gehaald. Eind vorig jaar waren er al 45.000 meer in dienst.”

Dat relatief veel allochtonen werkloos zijn, komt volgens Van den Akker behalve door de relatief sterke groei van deze bevolkingsgroep door de relatief lage opleiding van veel allochtonen. “De werkloosheid onder allochtonen is een opleidings- en geen discriminatieprobleem”, zegt de werkgeversvertegenwoordiger. Anders dan de politici zijn de sociale partners volgens Van den Akker juist bezig om het vraagstuk bij de wortel aan te pakken.

“In de CAO van 1993 spraken we af om 1500 mensen uit de kansarme groepen - met name langdurig werklozen en allochtonen - op te leiden tot lasser. Voor tweederde is dat nu gebeurd. Meer dan 900 werklozen hebben een opleiding gehad. Daarvan was meer dan de helft allochtoon. Van deze ruim 900 lassers heeft inmiddels 65 procent een baan. Logisch. Die mensen hebben nu iets te bieden wat ze eerst niet hadden.

“Als je mensen een baan moet geven alleen op grond van het feit dat ze gehandicapt, herintredende vrouw of allochtoon zijn - wat de politici bepleiten - dan doe je daarmee niets aan het werkelijke probleem. Bij de eerste de beste economische recessie vliegen deze mensen er het eerst uit. De enige echte oplossing is opleiden. Wij hebben opleidingen voor lassers georganiseerd. Je kunt dat ook doen voor draaiers, fresers, machinebankwerkers. Aan vaklieden is nog steeds een chronisch tekort. Probeer allochtonen en andere kansarme groepen in de samenleving een vak te leren. De nadruk moet daarbij liggen op het praktisch deel van de opleiding, niet zozeer op algemene vorming.”

De werkgeversvereniging VNO-NCW, waarvan de FME lid is, heeft uitgerekend dat de door de politiek gewenste registratie van allochtonen 112 miljoen gulden aan administratieve lasten met zich mee brengt. “Vergelijk dat eens met die lasopleiding voor 1500 kansarmen”, zegt Van den Akker. “Daarvoor hebben wij 12 miljoen gulden uitgetrokken. Wij kunnen negen keer 1500 mensen, dat is 13.500 mensen, opleiden voor hetzelfde bedrag dat de door politici bedachte registratie- en rapportageplicht kost. Met dat verschil dat onze maatregel bewijsbaar meer effect heeft.”

Heel frappant vindt Van den Akker het dat volgens onderzoek bij geen enkel bedrijf de ondernemingsraad heeft aangedrongen op toepassing van de Wet bevordering evenredige arbeidsdeelname allochtonen (WBEAA), zoals de wet officieel heet. Veel werknemers weigeren de formulieren in te vullen waarop ze moeten aangeven of zijzelf of hun ouders in Nederland zijn geboren. “Allochtonen vinden het stigmatiserend”, zegt Van den Akker, “en ook Nederlanders vinden het discriminerend.” Opmerkelijk is verder dat maar één ministerie aan de rapportageplicht heeft voldaan: het ministerie van binnenlandse zaken. “Zelfs sociale zaken, dat nu hoog van de toren blaast, heeft het niet gedaan”, aldus Van den Akker.

Het verschil van mening tussen de politiek en de maatschappij wordt volgens de FME-voorzitter veroorzaakt door het verkeerd trekken van de scheidslijn door politici. “Zij trekken de scheidslijn tussen allochtonen en autochtonen, wij tussen opgeleiden en niet-opgeleiden.” Het kabinet heeft deregulering in zijn vaandel geschreven, maar de werkgevers hebben daar tot dusverre niets van gemerkt. “In korte tijd kregen we te maken met wetgeving op het gebied van de arbeidsomstandigheden, de terugdringing van het ziekteverzuim, de identificatieplicht en de registratie van allochtonen. We worden er hartstikke gek van. En dan hebben we het nog niet over alle milieuregelgeving.”

Volgens Van den Akker houden politici zich alleen maar met partijpolitiek bezig. De echte maatschappelijke problemen ontsnappen volledig aan hun aandacht. “Waar ging het debat over bij de laatste verkiezingen voor de Provinciale Staten? Over de vraag of een snelweg links of rechts van de Maas moest lopen. Diezelfde week werd de gulden tien procent meer waard ten opzichte van de Italiaanse lire, het pond sterling, de Spaanse peseta, de Oosteuropese munten en de dollar, waarmee ook in Zuid-Oost Azië wordt gerekend. Dat betekende dat ook Nederlandse arbeid in één week tijd tien procent duurder werd. De financiële prikkel om met name laagwaardige arbeid niet meer in Nederland te laten verrichten werd in die week van de verkiezingen flink groter. Geen politicus die je daarover hoorde.”

    • Frank van Empel