Verliefd op een krijsend en stompend Friezinnetje

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: Zo de ouden zongen (1965)

Bijna elke Vestdijk-bewonderaar, zo is mij opgevallen, heeft een groot zwak voor één van de romans die gewoonlijk niet tot het selecte groepje van de meesterwerken gerekend wordt. Zo houdt Tini Booij van Vijf vadem diep, Martin Ros van Rumeiland, en Hugo Brandt Corstius, zo bleek vorige week, van Juffrouw Lot. Welnu, ik heb een groot zwak voor Zo de ouden zongen...

Zeker, deze roman lijkt vooral een herhalingsoefening, dit is de wereld van de Anton Wachterromans, van Meneer Visser, van het sublieme verhaal 'De bruine vriend', en van De koperen tuin. Net als in de Anton Wachterromans speelt deze roman in een klein houtstadje dat, gelet op de namen die in de roman voorkomen, in Friesland moet liggen. Net als in De koperen tuin vinden we hier een hoofdfiguur die aan het begin van de roman nog een kind is en aan het eind, gelouterd door min of meer tragische liefdeservaringen, een reeds wat cynische vroeg oud geworden jongeman. Bovendien zijn de twee jongens met wie Nol Rieske uit De koperen tuin langs de straten zwalkt en die aldaar slechts 'bruin' en 'blauw' genoemd worden, hier versmolten tot het laconieke vloekbeest Wim Paardt. Maar die Wim Paardt, wat heeft Vestdijk deze prachtfiguur grandioos voor ons neergezet! Op straat spreekt hij met zoveel flair meisjes aan dat ik, toen de roman in 1965 verscheen, onmiddellijk zijn voorbeeld heb gevolgd en het ook heb gewaagd op straat een meisje aan te spreken. Tot mijn verbazing ging zij grif op mijn avances in, maar eenmaal op haar studentenkamertje aangekomen, wilde zij enkel bidden en bijbellezen.

Behalve Wim Paardt zijn er nog meer overeenkomsten met De koperen tuin. De dans van Nol Rieske en Trix Cuperus die alles in gang zet wordt hier herhaald. Ook Roel Starmans en Jantine Schurink dansen met elkaar, en ook die dans zet alles in gang.

Waarom dan zoveel gehouden van een roman, die kennelijk zoveel herhaling bevat? Omdat, denk ik, deze roman in veel opzichten reëler is dan De koperen tuin. Jantine Schurink is, net als Trix Cuperus, een bleek meisje, maar ze is aardser, directer, levensechter dan Trix. Ik vind haar veruit de meest geslaagde vrouwenfiguur die Vestdijk heeft geschapen. Vestdijk heeft dit krijsende, stompende Friezinnetje zo fantastisch goed neergezet dat je er, net als Roel Starmans, verliefd op wordt. En Starmans' verliefdheid blijft hier niet, zoals in zoveel andere romans, beperkt tot een verheven, maar toch wat esoterisch gezwijmel, waar hoogstens wat gezoen aan te pas komt - nee, ze wordt gevoed door menigmaal verbluffend beschreven 'woeste eenwordingen' zoals Vestdijk ze noemt. Daarnaast wordt de verliefdheid - en dat is, in deze vorm, wel nieuw bij Vestdijk - ook aangewakkerd door een verstolen vorm van haat. Jantine Schurink woont namelijk in huis bij een oom, de aannemer Heslinga, die de vader van Roel Starmans uit diens woning heeft gezet. Daaruit resulteert een vage vete tussen vader Starmans en de aannemer, en die vete zorgt er dan weer voor dat Roel, die alles veel serieuzer neemt dan zijn vader, alle personen uit het huis Heslinga bitter haat. De titel van de roman zou dan ook eigenlijk dienen te luiden: Zo de ouden zongen, krijsen de jongen.

Ik herinner me nog als dag van gisteren dat ik de roman voor de eerste keer las. Wat vond ik het een prachtboek! Hoe schitterend dat eerste hoofdstuk waarin de inmiddels veel ouder geworden Roel Starmans op de bus staat te wachten en dan opeens dat gekrijs weer hoort, en vervolgens, na zoveel jaar, Jantine weer terugziet. En hoe meesterlijk heeft Vestdijk de liefde van Jantine en Roel beschreven! Zelfs Vestdijk-haters moeten dat erkennen. Zo schreef J. van Doorne bij het verschijnen van deze roman dat er bij Vestdijk geen 'grote adem, geen drift' valt waar te nemen, hij gewaagt zelfs van 'een fatale zwakte' (wel veel psychologie, maar geen echt leven, als ik hem goed begrijp), maar dan zegt hij in zijn Trouw-recensie ook: “Gaandeweg ontwikkelde zich de geschiedenis van een liefde, die mij tenslotte zeer ging boeien.”

Hoe kan het ook anders bij een, met zoveel flair, en zo machtig overtuigend beschreven puberteitsliefde. Dat één en ander een, zoals Hans Visser onthulde, sterk autobiografische achtergrond blijkt te hebben, hoeft ons dan ook niet te verbazen. Alleen iemand die zelf zoiets heeft meegemaakt kan schrijven: “In de roes waarin ik leefde, de zware vermoeidheid overdag, de opwinding en angst om betrapt te worden 's avonds, de vage bezorgdheid om de duizeligheid en de diepe pijn in mijn nek, die mij al een paar maal overvallen had na de meest woeste eenwordingen, en steeds het kwellende verlangen naar dit meisje, kon ik mij wel eens afvragen hoe dat eindigen moest, waarbij ik mij geen scheiding van Jantine voorstelde, maar iets als een knik in een onhoudbaar stijgende lijn.”

Welnu, het eindigt verrassend. Het vuur dooft, als Roel om van Jantine bij te komen, met de dochter van aannemer Heslinga een amourette begint. Opmerkelijk is dat deze fase van zijn liefde wordt beschreven als 'een soort hel, waar Heslinga als opperduivel troonde, en slanke en in zwart bont gehulde duivelinnen glijdend mijn onschuld belaagden'. Opmerkelijk is voorts ook dat aannemer Heslinga, elders in de roman een namaakduivel in een hel van hout genoemd, door zijn dochter van incest wordt beschuldigd. Bij De koperen tuin kun je alleen maar vermoeden dat Trix haar vader haat omdat hij zich, in een dronken bui, aan haar heeft vergrepen, maar hier blijkt Vestdijk al in staat om trefzekerder een diagnose te stellen waar het gaat om verziekte verhoudingen in een gezin.