STE eist opheldering over beschuldigingen Borsumij-bestuurder

AMSTERDAM, 3 JUNI. De Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) eist opheldering over beschuldigingen die Borsumij Wehry-bestuurder J. Noordam heeft geuit aan het adres van de toezichthouder. Noordam wordt verdacht van beurshandel met voorkennis, maar verwijt de STE en de effectenbeurs dat die bewust informatie hebben laten uitlekken om hem zwart te maken.

In een brief aan Noordam vraagt STE-advocaat mr M. Sachse of citaten in Het Financieele Dagblad van die strekking echt zijn uitgesproken. Sachse sommeerde Noordam daar vóór afgelopen vrijdag om 12 uur op te reageren. Gisteravond had de STE echter nog geen antwoord binnen.

Volgens Noordam spelen de beurs en de STE “eigen rechter via de media”. Ze zouden bewust informatie uit het onderzoek hebben laten uitlekken omdat het zo lang duurt voordat een gerechtelijke procedure vermoedens hard kan maken. De reactie van de STE op deze beschuldiging is de meest recente stap in het nu al weken durende juridische getouwtrek rondom de Borsumij-affaire. Nadat de advocaten van Noordam en de circa 8 andere verdachte Borsumij-functionarissen twee weken geleden de Staat en het Openbaar Ministerie aansprakelijk hebben gesteld voor de schade die wordt ondervonden vanwege het op “lichtvaardige” gronden begonnen onderzoek, kan inmiddels ook de STE een schadeclaim verwachten. Onder invloed van de affaire heeft Borsumij zich te koop aangeboden aan het concurrerende handelshuis Hagemeyer.

In een brief van 31 mei houden de advocaten mr L. Spigt en mr G. Hoff de toezichthouder verantwoordelijk voor de “ernstige tekortkomingen” in het onderzoek dat is gedaan door het controlebureau van de effectenbeurs. Op basis van dat onderzoek is eind vorig jaar aangifte gedaan bij justitie. De Amsterdamse officier van justitie mr J. Wortel heeft vervolgens de Economische Controledienst (ECD) ingeschakeld om de affaire verder te onderzoeken. Zo bleek de Borsumij-top in december 1993 privé te hebben gehandeld, terwijl 18 dagen later de belangrijke overname van het bedrijf Stokvis werd bekend gemaakt.

Spigt en Hoff verwijten de STE dat in het rapport van het controlebureau “geen enkele harde conclusie wordt geformuleerd” en wijzen op de “veel voorkomende” formulering: “Het wordt niet uitgesloten dat (..)”.

Zo blijkt uit de brief dat er ook een verdenking is gerezen tegen het Orange Fund, een beleggingsfonds dat thans in handen is van zakenbank Kempen & Co maar destijds hoorde bij commissionair Van Meer James Capel. Terwijl Borsumij-manager J. van Roon commissaris was bij het Orange Fund, kocht het fonds vlak voor de overname van Stokvis effecten Borsumij. “Het wordt daarom niet uitgesloten geacht dat het Orange Fund op het tijdstip dat bedoelde aankopen werden verricht, kennis droeg van koersgevoelige informatie inzake de overname van Stokvis”, zo citeren de advocaten uit het rapport. Zij stellen echter dat Van Roon “op geen enkele wijze” betrokken was bij het beleggingsbeleid van het fonds en nog maar net commissaris was geworden.

In de brief wordt tevens ingegaan op een verdenking van de beurs dat een van de managers “een buurtgenoot zou hebben getipt over het voorlopige resultaat over 1993. De buurtgenoot zou hierop op 7 februari 1994 in totaal 600 certificaten KBW (Borsumij Wehry, red.) hebben aangekocht”. Het feit dat de persoon dicht bij een van de managers woont, lijkt Spigt en Hoff “ontoereikend om deze verdenking te staven”.

    • Jaco Alberts