Socialisme op Cuba bestaat alleen nog uit slogans

SANTA CLARA, 3 JUNI. Haar dierbare studieboeken over marxisme en leninisme moeten tegenwoordig tot 's avonds laat op de plank blijven. Pas dan, na een tienurige werkdag op het land, heeft de Cubaanse Angela García een momentje over voor de oude gedachten.

De 56-jarige docente marxistische filosofie aan de hogere krijgsschool aarzelt geen moment als ze zegt: “Ik vind het heerlijk om in de landbouw te werken. Zo kan ik me nuttig maken voor mijn volk”.

Als één van de ruim 130 vrouwen en dertig mannen van landbouwbrigade Las Marianas is Angela betrokken bij een experiment waarmee de Cubaanse overheid probeert de al meer dan vijf jaar durende economische crisis het hoofd te bieden. In Santa Clara, een centraal gelegen provinciehoofdstad, produceren brigades zoals Las Marianas rechtstreeks voor de bevolking. Wat 's ochtends wordt geoogst op het land, wordt 's middags vanaf een vrachtwagen op straat verkocht. Tegen prijzen die uiterst concurrerend zijn met die van de particuliere boeren.

“Er was een wachtlijst met mensen die zich hadden aangemeld voor Las Marianas”, vertelt brigadeleidster Mayra Olivera (29), ooit een gestaald kader uit de Cubaanse vrouwenbeweging, nu superboerin. Doorgaans is de landbouw weinig populair bij de stedelijke, goed-opgeleide Cubanen. Lange dagen, zwaar werk, ver van de familie en een maandsalaris dat met zo'n 180 pesos onder het Cubaanse gemiddelde ligt, maakt werken op het land weinig geliefd.

Maar bij Las Marianas ligt dat anders. Niet alleen krijgen de brigadeleden een salaris dat zo'n 45 pesos hoger ligt dan het gemiddelde, ze hebben ook toegang tot produkten die de meeste Cubanen al in maanden niet hebben gezien, laat staan hebben kunnen kopen: zeep, shampoo, vlees, een ijskast of een fiets. Toch zeggen de landarbeiders bij Las Marianas dat het ze niet om het geld is te doen. Ze zijn vooral ideologisch gemotiveerd, zeggen ze, en 95 procent van de brigadeleden is ook lid van de communistische partij, de jeugdbeweging of de vrouwenorganisatie.

Het experiment met de brigade Las Marianas in Santa Clara maakt deel uit van een aantal ingrijpende maatregelen waarmee Fidel Castro het ongunstige economische en politieke tij tracht te keren. Na de val van de Berlijnse Muur en het verdwijnen van de jaarlijkse Sovjet-subsidie van zeven miljard dollar, moest het regime de economische koers noodgedwongen wijzigen. Het buitenlandse toerisme werd ontwikkeld, vreemd kapitaal werd uitgenodigd joint ventures te beginnen met de Cubaanse staat en de Cubanen mochten deels voor eigen rekening gaan werken. De dollar, eens het gehate symbool van de vijand, is nu wettig betaalmiddel in Cuba naast de eigen peso. De economische strategie van Castro en van zijn 'economie-tsaar', Carlos Lage, lijkt nu vruchten af te werpen. Het dieptepunt lijkt voorbij te zijn en vorig jaar kende de Cubaanse economie al een bescheiden groei.

Voor de docente in de marxistische economie, Angela, is Adam Smith, de aartsvader van het kapialisme, niet langer de boeman van de boze buitenwereld. “Wij hebben veel geleerd van het kapitalisme”, zegt Angela. “Vooral over het produktief gebruik van de werkdag. Wij hebben in het verleden veel tijd verloren. In het kapitalisme gebeurt dat niet, want dan ben je je baan kwijt”. Brigadeleidster Mayra voegt daar aan toe: “Als een particuliere boer zijn land laat bewerken door vijf mensen die hij in dienst heeft, kan dat een goede zaak zijn. Het belangrijkste is dat het land niet wordt verwaarloosd”.

Eigen onderneming, loondienst, produktiviteit. Een paar jaar geleden leek het allemaal nog taboe in Cuba, nu is het realiteit. In een opzienbarende toespraak tot de Federatie van Cubaanse Vrouwen, begin maart, zei Fidel Castro onder andere: “We moeten het privébezit introduceren, particuliere produktie, de werking van de markt. We moeten dat doen, omdat het gezonde verstand dat dicteert. Maar we doen het met de kracht van de Revolutie en we hoeven er niet bang voor te zijn”.

In zijn toespraak zinspeelde Castro onder andere op de komende introductie van arbeid in particuliere loondienst, één van de laatste taboes van de Cubaanse revolutie. Toch zei Castro: “We gaan geen kapitalistische samenleving creëeren, noch een regering van en voor de bourgeoisie en de rijken”. En de econoom Carlos Lage wordt geciteerd met de uitspraak: “Het doel vanhervormingen is niet zozeer de transformatie van het systeem, alswel de consolidatie ervan”.

De Cubaanse maatschapij krijgt, zeker wat de economie betreft, steeds meer kapitalistische trekken en van het socialisme zijn allleen nog de slogans over. Buitenland diplomaten zijn er inmiddels van overtuigd dat het oude systeem niet meer terug zal komen. “Het proces is onomkeerbaar”, zegt een Europese diplomaat in Havana. En: “De situatie is nu beter dan vorig jaar”. De val van Fidel Castro zoals die de afgelopen jaren steeds is aangekondigd, lijkt weer wat verder weg. Als de economie zich blijft ontwikkelen zoals zij nu doet, kan het regime het nog jaren volhouden, menen waarnemers.

Een Latijns-Amerikaanse waarnemer in Havana voorspelt het naderende einde van de zogenoemde 'speciale periode' van ontberingen, bezuinigingen en buikriem-aanhalen voor de Cubanen. “Er zijn minder stroomstoringen, er is meer verkeer en er zitten steeds meer mensen in de restaurants van Havana”, zo merkt hij op. Volgens opgave van het Cubaanse ministerie van financiën heeft 21 procent van de bevolking nu toegang tot dollars, hetzij via werk in de toeristensector, door prostitutie of dankzij geldzendingen van familieleden in het buitenland. In Havana zou 25 procent van de hoofdstedelingen dollars hebben. Maar waarnemers schatten dat deze percentages aanzienlijk hoger liggen. Met dollars kunnen de bezitters ervan in Cuba de produkten kopen die in de staatswinkels niet meer of te weinig worden aangeboden. Met één dollar koopt een Cubaan op de zwarte markt 35 pesos en op die koers zijn ook de prijzen afgestemd op de particuliere landbouwmarkten zoals die sinds enige tijd in Havana en elders functioneren. “Het is veel te duur hier”, klaagt een oudere klant van de mercado agropecuario in het centrum van Havana. “Maar wat moet je anders?”, vraagt hij zuchtend en sjokt verder met een tas vol boodschappen tussen de stalletjes met enkele ananassen, kool en mameyes. De verkopers hier zijn overigens niet de boeren zelf, maar tussenhandelaren die één of twee pesos verdienen per verkocht produkt.

Ondanks de niet-ongunstige vooruitzichten voor de Cubaanse economie, is het dagelijks leven voor veel Cubanen een voortdurende strijd om het vullen van de maag. “Voedsel is de nationale obsessie”, zegt een Europese diplomaat in Havana. Dat komt omdat er te weinig van is. Veel Cubanen zijn afhankelijk van maaltijden in bedrijfs- of schoolkantines. “De mensen gaan hongerig naar het werk”, zegt Angel, een 35-jarige bedrijfsleider in de havenstad Cienfuegos. “Maar nu zijn de maaltijden in de bedrijven ook minder geworden. De arbeiders beklagen zich daarover”. De 'speciale periode' heeft tot gevolg gehad dat de Cubaanse bedrijven zelf voor hun voedselproduktie moesten gaan zorgen. Zo is het Cubaanse leger momenteel één van de grootste 'boeren' in het land. De maatregelen hebben geleid tot een verhoging van de voedselproduktie in het eerste kwartaal van dit jaar met 23 procent. “Desondanks is dat nog maar de helft van de vraag”, erkende onlangs minister van landbouw Alfredo Jordán.

Experimenten zoals de particuliere markt en de rechtstreekse verkoop aan het publiek zoals in het geval van Las Marianas zijn daarom van groot belang voor de Cubaanse economie. De klassieke deviezenverdieners - toerisme en suiker - dreigen het te laten afweten. Weliswaar breidt het aantal investeringen in het toerisme zich nog steeds uit, de bezettingsgraad van de hotels ligt met gemiddeld 45 procent ver onder het streefgetal. De suikeroogst zal dit jaar met een verwachte opbrengst van 3,5 miljoen ton een laagterecord bereiken. In Santa Clara worden daarom met extra inzet de handen aan de ploeg geslagen - een osseploeg in dit geval.