Schermutselingen rond de dorpsklok

ALAIN CORBIN: Les cloches de la terre. Paysage sonore et culture sensible dans les campagnes au XIXe siècle

359 blz., Albin Michel 1994, ƒ 58,50

De Franse romanticus Chateaubriand haalde zich van alles in het hoofd. In zijn in 1805 gepubliceerde novelle René laat hij de hoofdpersoon zeggen: “O! welk gekwetst hart heeft niet gebeefd bij het gebeier van de klokken op zijn geboortegrond, de klokken die trillen van vreugde boven zijn wieg, die zijn komst in het leven aankondigen, die het eerste kloppen van het hart kenbaar maken, die aan de wijde omgeving de vrome vreugde van zijn vader en de nog moeilijker te vertolken pijn en blijdschap van zijn moeder openbaren! De verrukkelijke dromen waarin het luiden van de geboorteklok ons doet verzinken, omvatten alles: geloof, familie, vaderland, de wieg en het graf, het verleden en de toekomst.”

Aan het begin van de negentiende eeuw raakte menig romantisch woordkunstenaar in opperste verrukking bij de gewaarwording van het klokgelui. Het klokkenspel openbaarde een scala van gevoelens. De metafoor stelde de kunstenaar in staat belangrijke gebeurtenissen in het leven van de mens dichterlijk te moduleren. Geboorte, huwelijk en overlijden werden opgeroepen door een concert van klokken. Zelfs in de schilderkunst drongen de klanken door. Een bekend schilderij van Millet, L'Angélus, toont een boer en boerin in gebed verzonken, daartoe aangespoord door het bedeklokje. Met visuele middelen maakt de schilder een auditieve gevoeligheid waarneembaar.

De fascinatie voor de klankkleur van het klokkenspel was tegen het einde van de eeuw geruisloos verdwenen. Het verzet tegen de kerkklok, vaak versterkt door een heftig antiklerikalisme, manifesteerde zich steeds openlijker. Het invloedrijke Franse tijdschrift La Lanterne nam het op voor degenen die in de buurt van een godshuis woonden. “Deze deugdzame lieden hebben wel wat anders aan het hoofd dan vóór zonsopkomst door de straten te rennen om een longontsteking op te lopen in een van die onhygiënische etablissementen die men kerken noemt”, schreef het blad in 1886. De gevoelszin voor het klankenspel verminderde. Dit had tot gevolg dat de fijnzinnige retoriek van het klokgelui niet langer werd begrepen.

De Franse mentaliteitshistoricus Alain Corbin, die eerder een studie schreef over de reukzin in de achttiende en negentiende eeuw, ondernam een zoektocht naar het verloren klankgevoel. Zijn aandacht ging daarbij uit naar het Franse platteland. Het resultaat is een kloek boekwerk, getiteld: Les cloches de la terre. Paysage sonore et culture sensible dans les campagnes au XIXe siècle.

Symbolische orde

Corbins relaas begint in 1791. In dit jaar gaven de revolutionairen de dorpsautoriteiten bevel de klokken te verwijderen. Het brons werd omgesmolten en herschapen in pasmunt en kanonnen. In een latere fase van de Revolutie moesten de klokken het vooral ontgelden als 'instrumenten van bijgeloof en religieus fanatisme'. Het afhangen van de klokken verliep bepaald niet zonder tegenstand. In Marolles-les-Brault probeerden de dorpelingen de demontage met standvastigheid te verhinderen. Uiteindelijk moesten er meer dan tweehonderd soldaten met zwaar geschut aan te pas komen. Ondanks de revolutionaire ijver het leven te desacraliseren, bleven de dorpelingen gehecht aan hun klok.

Het metaal representeerde een symbolische orde, waarbij men, anders dan nu, luisterde naar de klanken. Die vormden een fijnzinnig communicatiesysteem, waarvan de nuances werden bepaald door de aard van de klok (vrijwel elke klokketoren bezat een grote klok en angelus), de variatie in het aantal klokslagen, en de wijze waarop de klokken werden geluid. De klokkeluider kon bijvoorbeeld de klepel met behulp van een koord telkens tegen dezelfde wand slaan, of afwisselend tegen elk van beide zijwanden.

Hoewel men zich in het algemeen bewust was van dergelijke klankverschillen, gaven de nuances soms aanleiding tot vervelend ongemak. Zo vloog op een dag het huis van de oude burgermeester van Appenay in brand. De zoon van de koster begon de klok te luiden, maar werd hiervan ogenblikkelijk weerhouden door de dienstdoende pastoor. Deze, afkomstig uit een andere buurschap, beval de kosterszoon een andere klok te luiden. De boeren op het land, reeds in grote haast op weg naar het dorpsplein, verkeerden daarop in de veronderstelling dat het om een doopsel ging. In sukkeldraf keerden ze terug naar de velden. Het huis van de burgervader brandde intussen volkomen af.

De klokken moesten de dorpsgemeenschap beschermen tegen dreiging van buiten. Vanzelfsprekend kondigden ze ook de liturgische momenten aan. Daarnaast meldde het angelus het begin van de ochtend en het vallen van de avond. In sommige dorpen gaf de klok het tijdstip aan waarop de school begon. Eervolle gebeurtenissen, zoals de installatie van een burgermeester, gingen vaak met geklingel gepaard.

Vooral het gebruik van het brons voor burgerlijke doeleinden was de geestelijkheid een doorn in het oog. In enkele dorpen langs de Maas besloten de burgemeesters dat de klok in bepaalde seizoenen voortaan om elf uur moest worden geluid. Voor de mannen zou dit het sein zijn om de velden te verlaten, voor de vrouwen om het eten klaar te maken. Het besluit bracht de pastoor van Autrécourt tot razernij. “Onze klokken zijn niet plechtig ingezegend om de mensheid uit te nodigen op de soep.”

Machtsconflicten

Een groot deel van de door Corbin onderzochte schermutselingen die zich rond de dorpsklok afspeelden heeft betrekking op machtspolitieke tegenstellingen. Achter de symbolische orde van de klok sluimerde een heftige strijd, met de grootste lichtgeraaktheid en achterdocht gevoerd tussen kerkelijke en wereldlijke gezagdragers. Ten onrechte heeft Corbin geen verbindingen pogen te leggen met de rivaliteit die zich op landelijk niveau - ook buiten Frankrijk - steeds duidelijker aftekende tussen katholiek ultramontanisme enerzijds en het modernisme anderzijds.

Conflicten ontstonden over de vraag of de klokken mochten worden geluid bij geboorte of overlijden van niet-kerkelijke personen en vooral over de vraag bij welke nationale feesten ze mochten galmen. Republikeinse heethoofden probeerden de klok te annexeren voor nationale rituelen. Vooral de viering van de veertiende juli als nationale feestdag was een bron van ergernis voor de geestelijkheid. Die dag symboliseerde voor de clerus 'een orgie van bloed'. Op 14 juli 1888 ontving de prefect van Finistère een telegram van een van de burgemeesters in zijn rayon, met de mededeling: “Onmogelijk de klokken te luiden. Pastoor trekt revolver.”

Ondanks de tegenstand van de geestelijkheid zette de desacralisering van het leven zich door - en daarmee de afnemende gevoeligheid voor het klankenspel van de klok. Dat was ook het gevolg van andere ontwikkelingen.

Tot het einde van de negentiende eeuw hadden de klokken slechts hoeven te rivaliseren met kanonschoten en donderslagen. Vanaf die tijd werd het gebeier allengs overstemd door ronkende machines, ploffende elektromotoren en nieuwe alarmsignalen als de sirene. Daarnaast drong langzaam maar zeker het uurwerk door. De tijd werd afgelezen op het horloge. Het nieuws werd gemeld door krantenjongens. Terwijl de visuele gewaarwording aan betekenis won, verminderde de gevoeligheid voor de klankrijkdom van het klokkenspel.