Oorlogsrecht

De Sectie Militaire Geschiedenis van Defensie publiceerde vijf jaar geleden een geschiedenis over de nederlaag van het Nederlandse leger in de meidagen van 1940, waarin met enkele traditionele historische opvattingen werd afgerekend (H. Amersfoort en P.H. Kamphuis, red.: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied, Sdu 1990). Kamphuis c.s. gingen in hun herziening van het gangbare geschiedbeeld weliswaar niet zover als prins Bernhard (die in maart 1945 de geringe gevechtskracht van de Nederlandse soldaten in 1940 verklaarde uit een gebrek aan vertrouwen in het officierskorps), maar hun relativerende voorstelling van het Duitse optreden week wel zoveel van de officiële 'De Jong' af, dat er een geruchtmakende zaak uit groeide.

De jongens van de Sectie Militaire Geschiedenis zijn in de verste verte geen professionele neefjes van de Britse revisionistische beeldenstormers die proberen de historische Winston Churchill van zijn voetstuk te sjorren. Het zijn eerder gedempt sprekende wetenschappers met een afkeer van 'sweeping statements' en een schroom voor publiciteit. De publikatie van de Sectie werd dan ook gepresenteerd als een 'voorzichtig relaas', dat eigenlijk niet meer dan enkele 'heersende opvattingen' op de proef stelde. Op zichzelf waren het geen bijzonder opmerkelijke en zeker geen iconoclastische conclusies waarmee Kamphuis c.s. voor den dag kwamen. Dat de Waffen SS in Nederland een slechte reputatie heeft gekregen, was niet verbazingwekkend omdat ze zich aan schendingen van het oorlogsrecht had schuldig gemaakt. Dat de Duitsers het oorlogsrecht op bepaalde plaatsen hadden overtreden, wilden de schrijvers niet ter discussie stellen, maar wel de vraag 'welke betekenis daaraan precies moet worden gehecht'. Immers, zo voegden zij daaraan toe, “met even veel gemak kunnen voorbeelden worden aangehaald van opvallend goede disciplinehandhaving aan Duitse zijde; men denke slechts aan de behandeling van krijgsgevangenen bij de vliegvelden rondom Den Haag (...)”.

Tot zover zouden Kamphuis en zijn collega's geen opzien hebben gebaard. Met de zin die erop volgde veroorzaakten ze in de rijen van de militaire oudgedienden echter een beroering die tot op vandaag niet tot bedaren is gekomen. Overigens hadden niet alleen de Duitse troepen het oorlogsrecht geschonden, “ook bij Nederlandse militairen zijn wel daden aanwijsbaar die, achteraf gezien, de strenge toets van het oorlogsrecht niet kunnen doorstaan”. Die ene zin joeg de oud militairen, verenigd in de Bond van Militaire Oorlogsslachtoffers in de gordijnen. Hun verontwaardiging over deze relativering werd er niet minder op toen Kamphuis c.s. concludeerden: “De schendingen van het oorlogsrecht waren dan ook bepaald geen systematisch verschijnsel”.

De eerste die zich tegen deze voorstelling te weer stelde was de militair historicus en vroegere docent in de militaire geschiedenis aan de Koninklijke Militaire Academie E. H. Brongers. 'Beschamend onzorgvuldig onderzoek', schreef hij in het blad de Kareoler'. Aan de 'opzienbarende visies' van de auteurs ontbrak 'elk spoor van bewijs', ze hadden 'recente en gezaghebbende Duitse onderzoeken over het hoofd gezien' en hun conclusies voldeden 'geenszins aan minimale wetenschappelijke normen'.

Waren die salvo's al zwaar genoeg, nog heviger kregen de historici van Defensie het te verduren van de Wageninger ing. W.D. Jagtenberg (geb. 1915, gewond bij de gevechten op de Grebbeberg), die een heel boek in stelling bracht. Jagtenberg ergerde zich niet alleen aan de geschiedschrijving van de Sectie Militaire Geschiedenis, maar vooral aan de dooddoeners die hij over zijn vele protesten tegen het boek Mei 1940 van Defensie ontvangen had. Schreef hij aan de minister, dan kreeg hij een antwoord uit de koker van de Sectie Militaire Geschiedenis; zocht hij zijn heil bij de Bevelhebber der Strijdkrachten, dan gebeurde hetzelfde. Jagtenbergs ergernis resulteerde in een lijvige brochure (Geschiedvervalsing over de meidagen van 1940, ISBN 90 - 71460 -04-5) die hij de afgelopen maanden strijdbaar in omloop heeft gebracht. Het is geen flodderwerkje maar een gedocumenteerde, fraai verzorgde uitgave waarin de auteur met elan zijn frontervaringen tegenover bureaukennis stelt en weinig heel laat van de conclusie dat er aan Duitse zijde van systematische schending van het oorlogsrecht op Nederlands grondgebied geen sprake zou zijn geweest. Kamphuis & Amersfoort erkenden alleen incidentele voorvallen, en dan nog evenveel als aan Nederlandse zijde. Om deze ongerijmde bewering te weerleggen trommelde Jagtenberg als een één-mans enquêtecommissie alle bereikbare getuigen uit het leger van 1940 op, die in zijn brochure bij elkaar 52 gevallen van Duitse oorlogsmisdaden hebben gereconstrueerd. De eerder genoemde expert Brongers concludeert dat er bij de Grebbeberg bijna geen aanval is geweest “waarbij de SS Standarte 'Der Führer' geen gebruik maakte van Nederlandse krijgsgevangenen om die als levende vuurdekking (menselijke schilden) voor zich uit te drijven”. Defensie zou er, lijkt me, verstandig aan doen nu al enkele correcties in de volgende editie aan te kondigen, anders is ze voorlopig nog niet van de onvermoeibare ing. Jagtenberg af.