Media-medicijn en media-troetelkind

IVAN WOLFFERS: Verlossing op recept. Prozac en het geloof in medicijnen

159 blz., Contact 1995, ƒ 24,90

In een ronkende en soms uitgesproken demagogische stijl verklaart de arts en medisch antropoloog Ivan Wolffers het raadsel van de (inmiddels geluwde) Prozac-hype. Eén blik op de titel en men vermoedt welke kant het in het boek op zal gaan.

Vorig jaar nog stond in de New England Journal of Medicine een artikel waarin werd gesteld dat de populariteit van het antidepressieve effect van fluoxetine (Prozac) op grond van de gepubliceerde gegevens niet helemaal te verklaren is. De auteur van Verlossing op recept evenwel meent dat Prozac zijn populariteit dankt aan de media en het praatcircuit van de Prozac-kerk. Volgens hem is Prozac het eerste media-medicijn en het troetelkind van de journalistiek. Het middel wordt voor oneigenlijke doelen gebruikt en het heeft zijn werking meer te danken aan de discussie die eromheen wordt gevoerd dan aan de farmacologische activiteit.

In de ogen van de schrijver kwam de Prozac-rage pas goed op gang door het boek van de Amerikaanse psychiater Peter Kramer, in wie hij een modern soort Beëlzebub ziet. Door Listening to Prozac werd Kramer hogepriester van de Prozac-kerk. In Nederland was die rol weggelegd voor Emma Brunt die in haar columns in Het Parool onverbloemd getuigde van de effectiviteit van het wondermedicijn. De kritiek op Kramers boek is grotendeels terecht, maar wordt verzwakt door de vervelend raillerende toon. “Elk hoofdstuk begint met een alinea die de nieuwsgierigheid prikkelt, precies zoals de cursus voor beginnende schrijvers waarschijnlijk adviseert” en “Het boek van Kramer is vooral interessant om te lezen hoe een intelligent mens zich in werkelijk alle bochten draait om een geneesmiddel aan te prijzen en alles dat maar enigszins negatief lijkt, wegpoetst.”

Eerste keus

Nuttig daarentegen is het overzicht van de recente ontwikkeling van de behandeling met antidepressiva. Sinds de jaren vijftig - en niet in 1970 zoals Wolffers beweert - worden tricyclische antidepressiva (TCA's) met succes toegepast. Terecht stelt de schrijver dat deze 'klassieke' antidepressiva volgens de recente literatuur nog altijd eerste keus zijn, al denken sommige psychiaters hier te lande daar anders over. Als tweede keus beschouwt men de serotonine-heropname-remmers (SSRI's), waaronder fluvoxamine (Fevarine), fluoxetine (Prozac) en paroxetine (Seroxat). Alleen voor depressieve mensen met dwanghandelingen is een SSRI misschien wèl een middel van eerste keus.

Waardevol is ook de opsomming van de bijwerkingen van Prozac. Helaas wordt het feit dat fluoxetine de bloedspiegel van bepaalde psychofarmaca verhoogt, zoals diazepam en valproaat, niet vermeld. Bovendien wordt over de eventuele schadelijkheid van fluoxetine voor de vrucht tijdens zwangerschap niets gezegd en (uitleg van) het zogenoemde serotonine-syndroom ontbreekt evenzeer.

Minder sterk is het gedeelte over de geschiedenis van de psychiatrie en de depressie die de schrijver in grove trekken schetst in het licht van het nature/nurture-debat. In die tweedeling behandelen voorstanders van de aanleg-hypothese depressieve patiënten liefst met pillen, terwijl degenen die de omgeving als de belangrijkste factor zien dat liever met psychotherapie doen. In plaats van Kretschmer noemt de auteur abusievelijk Kraepelin als één van de psychiaters die de lichaamsbouw van patiënten in verband brachten met een bepaalde psychiatrische aandoening. Een andere fout is dat het leptosome uiterlijk met depressie in verband werd gebracht (het moet zijn: schizofrenie).

Jammer genoeg wordt de lezer soms net op het verkeerde been gezet. Zo ontstaat bij de weergave van het interview met psychiater J.A. den Boer op 11 mei 1994 in NRC Handelsblad de indruk, dat Den Boer van psychotherapie niets moet hebben, omdat hij meer in aanleg en geneesmiddelen is geïnteresseerd. Aan het (in het boek niet vermelde) eind van het interview blijkt dat beeld echter te worden genuanceerd. “Er blijft in de toekomst vraag naar psychotherapeuten”, zegt Den Boer dan. “Iemand met klachten interpreteert zijn omgeving, zijn gevoelsleven, waarmee hij conflictueuze betrekking onderhoudt. Ik denk niet dat daar een pil voor komt. Dat zou ook een verarming van het vak zijn. We zijn nu eenmaal dieren die aan onze omgeving betekenis geven. Dat is beyond de pil.”