Ligt u lekker? (2)

Op onze vraag naar uw ziekenhuiservaringen stromen de reacties nog steeds binnen. Het ging ons daarbij om dat “ene zinnetje dat voor U een wereld van verschil maakte”, zowel positief als negatief. Ook vroegen we het medische en verpleegkundige personeel om de meest pregnante uitingen van de patiënt van nu.

We ontvingen navrante, cynische maar ook komische beschrijvingen van incidenten aan het ziekenhuisbed. Het aanbod is zo rijk geschakeerd dat deze rubriek deze maand geheel aan dit onderwerp gewijd zal zijn. Iedere week kennen we boekebonnen toe aan drie lezers wier brieven gepubliceerd worden. De inzendingstermijn is voorlopig verlengd. Wij ontvingen tot nu toe 106 reacties. Vorige week publiceerden we een eerste selectie: van de internist die de kamer met de kankerpatiënt betreedt met de aanhef: “Zo, en hier ligt onze stervende zwaan”. Tot de gynaecoloog in opleiding die bij z'n eerste bevalling de ultieme aanwijzing krijgt: “Hoofdje de ándere kant op”.

Deze week richten we ons geheel op conversaties met de vrouwenarts. Daarna komen we toe aan artsen die patiënten moeten vertellen dat ze snel doodgaan: internisten en oncologen. Ook aan ervaringen in de wachtkamer of 'op de tafel' wijden we een aflevering. Tenslotte komen de artsen en verpleegkundigen aan het woord. En die patiënten die het juist bijzonder troffen met hun arts of ziekenhuis. De boekebonnen zijn toegekend aan H. E. Blydenstein, M. Stoop-Stuyt en C. Bergman.

Niet storen

Het licht op de gang is aan. Dat betekent dat de zuster op mijn kamer bezig is, met andere woorden: niet storen.

De gordijnen om mijn bed zijn dicht getrokken, er moet weer een catheter ingebracht worden. Terwijl ik er daar onelegant en zeer bloot van onderen bij lig, komt de arts-assistent binnen, steekt zijn hoofd tussen de gordijnen en zegt: “Zo, val ik daar met mijn neus in de boter!”

H. E. Blydenstein, Enschede

Armpje

Mijn zoon werd 's avonds tegen 8 uur geboren na een moeilijke bevalling die eindigde in een tangverlossing. Ik moest 'een nachtje blijven', in het St. Annaziekenhuis te Geldrop.

Ik lag tevreden op een zaaltje met nog 7 andere moeders, de baby's lagen op de babykamer. Laat die avond werden de baby's bij de moeders gebracht. Een verpleegkundige reed een brancard de zaal op met daarop allemaal lekker ingepakte baby's tegen elkaar aan. Ze pakte de eerste baby met een zwierig gebaar van de brancard en zei toen, vrij luid: “Zo en hier hebben we dan de baby met het ongelukkige armpje,” waarna ik de baby in m'n armen kreeg.

Ik schrok enorm want ik wist niks van een ongelukkig armpje. En ook al zou ik dat wel weten, dan hoefde verder niemand dat te weten. Mijn buurvrouw zei hierop verdrietig dat dat háár baby, een meisje, was. Ik had erg met de moeder te doen en ik was zo verbouwereerd dat ik alleen maar kon uitbrengen “maar ik heb een zoon gekregen”. Hierop kreeg ik mijn eigen kind.

Tegen 6 uur de volgende ochtend werden de baby's weer bij de moeders gebracht en toen ik de mijne bekeek dacht ik “Hé, deze is niet van mij!” Het bleek alweer een meisje te zijn, een ander dan die ik de vorige avond kreeg.

Hierop volgde weer een babywissel. Gelukkig heb ik de goede baby mee naar huis gekregen.

De botheid en nonchalance van de verpleegkundige maken mij nog steeds woedend, ik denk nog vaak aan die moeder van dat kleine meisje. Ik betreur dat ik indertijd geen klacht heb ingediend.

Mijn twee later geboren dochters zijn gewoon lekker thuis geboren. Tegen het advies van de - erg aardige - gynaecoloog in. En dat ging uitstekend.

M. Stoop-Stuyt, Hengelo

Handgebaar

Dat gynaecologen beter met vrouwen kunnen omgaan dan met mannen lijkt nuttig, maar soms is het contrast wel erg schrijnend.

Het was op een middag een paar jaar geleden dat ik met spoed naar het ziekenhuis geroepen werd omdat bij mijn vrouw een buitenbaarmoederlijke zwangerschap geconstateerd was, waaraan zij onmiddellijk geopereerd moest worden. Ik haastte mij naar het hospitaal en vond daar mijn honnepon in tranen op een bankje, in de buurt van de werkkamers van de gynaecologenmaatschap.

De dokter liet niet lang op zich wachten: al snel ging het gedrieën in looppas door de gangen, op weg naar de operatiekamers. Ik, als een geslagen hond, iets achteraan, de dokter met een vaderlijke arm rond de schouders van mijn vrouw voorop. Ontroostbaar was zij, dat laat zich denken. Toch deed de redder in het wit een dappere poging. Met een achteloos handgebaar over zijn schouder, in mijn richting, sprak hij de onvergetelijke woorden: “Stil maar meisje, het is allemaal zijn schuld”.

Ik was sprakeloos. De situatie was er niet naar om op de vuist te gaan. Maar stom toevallig kwam ik de man een half jaar later op een feestje tegen. Ik sprak hem aan op zijn harteloze opmerking, maar hij trok een verbaasd gezicht en zei slechts: “Maar het is toch zo?” Ik heb het er maar bij laten zitten; tegen de botheid van een op industriële leest geschoeide geneeskunde is geen kruid gewassen. Tegen geen enkel soort botheid trouwens.

C. Bergman, Tilburg

Week

In tranen vanwege pijn en nervositeit, na inbreng van een 'eendebek' door een gynaecoloog in het Bronovo-ziekenhuis, vraagt de man: “Nog nooit zo'n grote erin gehad?”. Gevolgd door de opmerking: “Hoeveel nummertjes maak je per week?”

K. v.d. Beek, Den Haag

Tweeling

“Hoe lang bent u zwanger mevrouw?”

“Ongeveer zeven weken, dokter.”

Goed, gaat u maar liggen, dan zullen we even een echo maken. Terwijl de blote buik werd beklodderd met een koude smurrie ging de deur open. Een groep jonge mensen in witte jassen schuifelde naar binnen en schaarde zich zonder enige toelichting rond de onderzoekstafel. Op de echo werd de baarmoeder zichtbaar met daarin twee witte vlekjes.

“Krijg ik een tweeling dokter?”

“Sst, u mag straks vragen stellen.”

“Maar....”

“U bent straks aan de beurt.”

Daar lag ik, als showmodel. De echo liet alle hoeken van mijn baarmoeder zien. Vragen stellen was voorbehouden aan de dames en heren studenten. Toen het college voorbij was verwachtte ik enige uitleg, maar meer dan een “Alles ziet er goed uit, u hoeft zich niet ongerust te maken” zat er niet in. De buik werd afgeveegd, de volgende patiënt wachtte.

“Maar ben ik nu zwanger van een tweeling dokter?” vroeg ik met een feestelijk gevoel.

“Ja, dat klopt, maar u zag dat één van de vruchtjes nogal trilde, dat zien we wel vaker, het is waarschijnlijk met een paar dagen verdwenen. Maakt u zich dáárover maar niet ongerust!”

Een bloeding volgde snel en na een week toonde de echo een gehalveerde tweeling. Eén kind verloren ...voelde toch niet echt als een geruststelling.

Zeven maanden later lag ik te bevallen van mijn eerste kind. Wat viel dat tegen! Ik wist niet dat een mens zo'n pijn kon hebben. Ik vroeg om pijnbestrijding maar kon daarna mijn tong wel afbijten: “Mevrouw,” zei de gynaecoloog bestraffend, “De meeste moeders denken éérst aan hun kind!”

Machteld Vos de Wael-Brongers, Bennekom

Knip

Op 30 mei was het vijf jaar geleden dat ik mijn eerste kind kreeg. Tijdens mijn dertieneneenhalf uur durende bevalling had hij geen vriendelijk of bemoedigend woord voor me over - het enige wat hij me toesnauwde toen hij opving dat ik moe was, was dat “ik er echt niet op hoefde te rekenen dat hij me wat zou geven”. Hij rende voortdurend half overspannen op en neer tussen drie bezette verloskamers en zijn spreekuur. Waarom er geen collega's van hem konden worden ingeschakeld, is me nu nog een raadsel.

Na de bevalling werd mijn te vroeg geboren zoon onmiddellijk afgevoerd naar de couveuse. De gynaecoloog vond het niet nodig om ons met de geboorte te feliciteren of een mee te leven met onze zorgen om ons kind. Hij had geen tijd om de placenta te controleren. Terwijl hij alweer wegsnelde naar een volgende verloskamer, riep hij tegen een beduusde verpleegkundige: “Kijk jij 'm even na?”

Drie uur (!) na de geboorte van mijn kind zag ik hem weer terug, toen hij even tijd kon vrijmaken om de knip van de bevalling te hechten. Al die tijd had ik me hulpeloos liggen verbijten in de verloskamer en me afgevraagd of er in de hele stad nu verder niemand te vinden was die een stel hechtingen kon aanbrengen. Meneer de dokter richtte het woord alleen maar tot mijn man en vroeg hem na afloop van het hechten gniffelend: “Kijk eens even. Vind je het er zo weer een beetje fatsoenlijk uitzien?”

Tijdens de nacontrole was de gynaecoloog ijverig in de weer met spateltjes en glasplaatjes. Toen ik hem vanuit mijn ongemakkelijke positie in de beugels om tekst en uitleg vroeg, zei hij opgewekt: “Ik maak een uitstrijkje. Je ligt er nu zo makkelijk voor, dat ik mooi even misbruik kan maken van de situatie, haha.”

Eigenlijk zou het me allemaal niet meer moeten uitmaken, want mijn te vroeg geboren kindje is nu een heerlijke, kerngezonde kleuter.

Toch was ik blij dat mijn tweede kind ter wereld werd geholpen door een andere gynaecoloog, die wel het benul had te beseffen dat de geboorte van een baby voor de ouders geen dagelijks werk is en dat patiënten het recht hebben om met respect behandeld te worden. Aan de eerste bevalling denk ik met een bittere smaak terug.

Mieke Luyckx, Hoevelaken

Eng

Ik ben 18 jaar, nog zeer maagd en ik lig op de stoel bij de gynaecoloog. Het is 40 jaar geleden. Ik vind het eng en kan maar niet ontspannen. “Meisje”, zegt de gynaecoloog, “Wat is er toch?”. “Ik vind het zo vervelend”, zeg ik. Antwoordt de gynaecoloog: “Natuurlijk is het vervelend. Als het leuk was kreeg ik het veel te druk!”.

V. Waszink, Heeze

Beugels

Ook ik lag jaren geleden in de bekende houding in de beugels voor een onderzoek voor een operatie. De gynaecoloog keek en riep toen verrukt naar de co-assistent: “Kom eens kijken, wat een prachtige bekkenbodem”.

D. de Rijke-Sweijd, Amsterdam

The Boys

Ik werd voor 3 dagen opgenomen in het Dijkzigt ziekenhuis voor een kleine ingreep en kreeg bezoek van een arts die mij vroeg: “Spreekt u Engels?” Op mijn bevestigend antwoord vroeg hij: “Maar spreekt u goed Engels?”

Hij legde mij het probleem voor. Een van de co-assistenten was een Spanjaard, die alleen Spaans en Engels sprak. Voor zijn praktijk-ervaring moest hij patiënten onderzoeken en ondervragen.

Een half uur later zat hij aan mijn bed, de kleine Spaanse co-assistent. Het onderzoek begon, en de vragen. “Did you have, or do you have any problems with the boys”? Ik keek hem verwonderd aan en vroeg: “Do you mean with men”? “No, with the boys” en daarbij maakte hij met zijn hand verticale bewegingen langs zijn hals. Ik begreep het onmiddellijk; Spanjaarden spreken de V als een B uit. Nee hoor, ik had geen problemen met mijn voice (stem).

M. van Gorcum-van Elburg, Rotterdam

Zaterdags Peil, NRC Handelsblad, postbus 8987, 3009 TH Rotterdam. Computergebruikers via Internet op het e-mail adres zpeil@nrc.nl