Kapitaalmarktrente daalt binnen half jaar met vol procent; Hypotheekmarkt dubt over tarieven

AMSTERDAM, 3 JUNI. Wat maar weinig analisten begin dit jaar voor mogelijk hadden gehouden, is toch gebeurd. De kapitaalmarktrente in Nederland, gemeten aan het rendement op de tienjarige staatsobligatie, is dit jaar een vol procent gedaald: van 7,7 procent eind 1994 tot 6,7 procent gisteren. Door die ontwikkeling zijn ook corresponderende lange-rentetarieven voor bedrijven en burgers een stuk mee naar beneden gegaan. Huizenkopers verwelkomden al driemaal een ronde van hypotheekrenteverlagingen, waarvan de laatste stamt van half mei, toen de kapitaalmarktrente voor het eerst sinds half 1994 weer de grens van 7 procent doorbrak.

Inmiddels is van de kapitaalmarktrente alweer 0,3 procent af, en de nieuwe schermutselingen op het hypotheekfront werden donderdag ingeluid door een tariefsverlaging door verzekeraar Zwolsche Algemeene, een kleine marktpartij. Doen de grote partijen, zoals Rabo, ABN Amro en de banken en verzekeraars van ING ook ditmaal mee? Dat hangt af van de vraag of marktaandeel hun liever is dan de risico's voor de eigen balans en daarmee hun financiële gezondheid.

Die risico's nemen toe, al was het alleen maar omdat de kapitaalmarktrente historisch gezien een ondergrens kent. Hoe dichter die wordt genaderd, des te groter de kans dat de rentestand consolideert of zelfs weer stijgt. Om de risico's in te schatten, analyseren de banken en verzekeraars de reden achter de recente daling van de kapitaalmarktrente. Die valt in drie delen uiteen.

Allereerst valt de economische groei in Nederland en omringende landen tegen. De meeste ramingen voor een groei van boven de drie procent in 1995 zijn al teruggeschroefd tot rondom de 2,5 procent. Een deel van dat effect heeft zijn oorzaak in de appreciatie van de Nederlandse gulden, die dit jaar tegenover de belangrijkste handelspartners gemiddeld meer dan vijf procent won en zo de vooruitzichten voor de exportsector tempert. Zowel de minder hoge economische groei als de kracht van de gulden, waardoor capaciteitsproblemen in het bedrijfsleven en op de arbeidsmarkt minder snel toenemen en de importprijzen dalen, wijzen op minder hoge inflatie.

Obligaties zijn zeer gevoelig voor toekomstige inflatie en profiteren van de verlaagde prognoses voor de geldontwaarding. Bovendien neemt de vlucht van internationale beleggers in de harde Europese munten als de gulden, die dit jaar herhaaldelijk voorkwam, voor een deel de vorm aan van een grotere vraag naar Nederlandse obligaties. De koersstijgingen op de obligatiemarkt resulteren in een lager rendement op obligaties - een lagere kapitaalmarktrente.

Daardoorheen speelt de 'koppeling' tussen de Europese en de Amerikaanse obligatiemarkt. Ook al zijn de vooruitzichten voor economische groei en inflatie aan weerszijden van de Atlantische Oceaan soms zeer verschillend, vaak gedragen de obligatiemarkten zich toch eensluidend. De forse daling van de Nederlandse kapitaalmarktrente is op dit moment voor een deel het gevolg van een nog sterkere daling van de Amerikaanse rente: eind vorig jaar kroop het rendement op dertigjarige obligaties in de VS nog boven de 8 procent, nu bedraagt dat 6,7 procent. Op woensdag profiteerden Amerikaanse obligaties van de ingreep door centrale banken in de dollarkoers: een hogere dollar betekent lagere invoerprijzen en dus minder inflatoire druk, zo luidde de redenering. Voor Europa had dat precies andersom moeten zijn, maar toch trok de markt zich op aan de Amerikaanse obligatiemarkt.

Die 'koppeling' heeft alles te maken met beleggersgedrag. Daar bevinden zich op dit moment dan ook de grote onzekerheden voor de obligatiemarkt en daarmee de kapitaalmarktrente. Wie bepalen op dit moment de koersen? Het valt aan te nemen dat, wanneer de obligatiemarkt de toppen van haar kunnen nadert, er weinig lange-termijnbeleggers zijn die het risico nemen misschien wel op de top van de markt te hebben gekocht. Voor dergelijke partijen is het huidige rendement van 6,7 procent bovendien laag. De rol van het 'snelle geld' van de dealing rooms en speculatieve beleggingsfondsen neemt tegelijktijd toe. Dat kapitaal maakt zich niet druk over directe rendementen, maar is des te meer uit op koerswinsten op korte termijn, en vertrekt als de markt omslaat weer net zo vlug als het gekomen is.

Dat maakt het voor de partijen op de hypotheekmarkt op dit moment moeilijk om een besluit te nemen over de tarieven. Enerzijds zijn er duidelijke macro-economische redenen voor de recente daling van de kapitaalmarktrente, anderzijds neemt de onzekerheid toe met elk tiende procentpunt dat er nu nog vanaf gaat.

Met de hogere risico's neemt ook de 'spread' toe, het verschil tussen wat de banken tegen de kapitaalmarktrente op de markt aan fondsen aantrekken en tegen de hypotheekrente aan hun cliënten uitlenen. Dat zou betekenen dat banken en verzekeraars op dit moment liever afwachten om te zien of de recente rentedaling beklijft, maar ook dat een eventuele door de concurrentie afgedwongen tariefsverlaging minder groot zal zijn dan de rentedaling die op de kapitaalmarkt is bereikt.