Internet

J.C. HERZ: Surfen op het Internet

315 blz., Prometheus 1995, vert. Jules van Lieshout (Surfing on the Internet 1995), ƒ 39,90

Als je de flaptekst mag geloven heeft J.C. Herz bij voorbaat een klassieker geschreven. “Het boek leest als een cyberpunk-variant op On the Road, Kerouacs bijbel van de beatgeneratie”, pocht de uitgever die de vertaling van Surfing on the Internet op de markt bracht. Net als On the Road destijds heeft het boek van Herz iets te maken met een nieuwe subcultuur, maar dat is meteen waar de overeenkomst tussen beide boeken ophoudt.

Internet, zo zal inmiddels bekend zijn, is een wereldwijd netwerk van computers. Enkele tientallen miljoenen mensen maken er min of meer regelmatig gebruik van, veelal voor hun werk of studie. Maar het net kent ook talloze gelegenheden voor informele ontmoetingen, zoals de duizenden verschillende babbelboxen, waarin je weliswaar op schrift maar wel live met anderen, veelal onbekenden, kunt kletsen. Al kletsend kun je natuurlijk 'jezelf' blijven, maar niets let je om je een andere identiteit aan te meten. Niemand die je ziet, niemand die je hoort. Alleen je teksten tellen.

In zogeheten MUD's (Multi User Dungeons) gaat dit spelen met de eigen identiteit nog een stuk verder. Het zijn een soort rollenspelen in fantasiewerelden, met kelders, zolders en donkere gangen, en niet zelden met krasse staaltjes van toverij, kortom authentieke kinderavonturen voor grote mensen.

Zoals er mensen verslaafd zijn geraakt aan 06-babbelboxen, zo kennen de Internetvarianten daarop hun eigen habitués. Internet-junkies noemt de uitgever ze, lieden die dagen, weken, maanden vrijwel non-stop aan het net hangen om hun tijd te verdoen met praatjes en spelletjes. Ze bestaan, maar ze vormen een kleine minderheid van die miljoenen Internetgebruikers. J.C. Herz leerde het net kennen als studente aan Harvard, en dook er na haar afstuderen een aantal maanden geheel in onder. Uit verslaving? In opdracht van een uitgever? Het blijft onduidelijk. Surfen op het Internet is het relaas van die periode.

Het is dus geen roman, zoals On the Road, maar een reportage. En hoewel de auteur er zelf volop in voor komt, geeft ze weinig van zichzelf bloot. Waar de lezer van On the Road door de ogen van verteller Sal Paradise een subcultuur leert kennen en tegelijk ziet hoe die zich tot de rest van de wereld verhoudt, zwalkt de lezer van Surfen op het Internet mee met de auteur, over haar schouder kijkend naar een schijnwereld die bevolkt lijkt door gekken en idioten. J.C. Herz heeft geen broertjes en zusjes, geen moeder, geen vriendje. Ze maakt geen deel uit van de wereld, ze neemt slechts waar.

Niet met een koele blik overigens. Heftig taalgebruik is haar niet vreemd. In vertaling neemt dat zelfs zotte vormen aan. “Dit is echt helemaal te gek. Hiervan ga ik totaal uit mijn dak.” Interessant, denkt de lezer, zonder ook maar een idee te krijgen waarvan ze nu precies uit haar dak gaat en wat dat eigenlijk voor gevoel is. Dat is precies het voornaamste bezwaar tegen dit boek. Het is een poging tot groots en meeslepend netleven zonder enige invoelbare raison d'être. Als journalistiek verslag biedt het onvoldoende inzicht in de gemeenschap waar het over gaat, die van de 'net-junkies'. En als persoonlijke ontboezeming heeft het gebrek aan persoon.

Daarbij komt - maar dat is de auteur niet aan te rekenen - dat het boek vreemd vertaald is. De vertaler verantwoordt zich zelfs in een apart voorwoord. Hij heeft ernaar gestreefd zoveel mogelijk Nederlandse woorden te bedenken voor termen die alleen in een Engelstalige wereld bestaan, Engels is nu eenmaal de lingua franca van het net. Vaak doet dat geforceerde Nederlands wat koddig aan, maar soms wordt de tekst er geheel onbegrijpelijk door.