Het verlangen van de ziel

Nadat Jezus' gestalte ten hemel was gevaren en definitief van de aardbodem verdwenen was, stonden zijn volgelingen Hem nog lang na te staren. Zij hadden het nakijken. Lukas vertelt in zijn boek 'Handelingen der apostelen' hoe zij ontredderd en verweesd achterbleven met niets anders in handen dan de woorden dat zij moesten wachten op het moment dat zij de Geest zouden krijgen. Na zeven maal zeven weken na Pasen, tien dagen na Hemelvaart, is de tijd vol: op de vijftigste dag (Pinksteren betekent vijftig) spelen zich plotseling allemaal ongelofelijke gebeurtenissen af: het geluid van een geweldige windvlaag vult het huis, tongen van vuur zetten zich op de hoofden van de discipelen die in vreemde talen beginnen te spreken.

Ook het Pinksterverhaal beschrijft geen geschiedenis in onze zin van het woord, maar 'bijbelse geschiedenis', het is geloofsgeschiedenis, vol van beeldspraak en symboliek; wind, een wolk en vuur, dat zijn in de oudtestamentische traditie de verschijningsvormen van God, van Zijn Geest, een ongrijpbare, vaak onzichtbare kracht, maar onmiskenbaar aanwezig. Deze Geest wordt vaardig over Jezus' volgelingen: van afhankelijke, onzekere en onzelfstandige mannetjes en vrouwtjes veranderen ze in gedreven mensen die iets willen meedelen. En ze spreken een taal die iedereen verstaat. Daarbij moet men niet denken dat zij een soort Esperanto machtig waren. Nee, zij spraken woorden naar het hart, waar iedereen altijd door bewogen wordt. Woorden over vrijheid en geborgenheid, zin en inspiratie, die het verlangen van de ziel raakten.

Menigeen die de dikwijls weinig verheffende en moordzuchtige kerkgeschiedenis overziet, vraagt zich af of de geest die de kerk bezielde niet zozeer een heilige als wel een boze was. Ook de op het oog weinig florissante en enthousiasmerende kerk van onze dagen doet twijfelen aan het bestaan van zoiets als goddelijke inspiratie, gedrevenheid en woorden die in vuur en vlam zetten. Toch meen ik soms een Heilige Geest aan het werk te zien, de verwekker van dromen en visioenen.

Toen M.L. King zei: 'I have a dream', was dat zeker een heilige droom, visionair en begeesterend als zijn woorden waren. En zo meende ik toch ook echt de Geest te zien waaien boven Zuid-Afrika in die wonderlijke, euforische dagen van verbroedering, toen het land een democratie werd. Maar niet alleen in spectakulaire, ook in gewonere voorvallen kun je je afvragen waar mensen het vandaan halen: al die toewijding en het geduld van mensen die onopgemerkt hun onaanzienlijke maar onmisbare werk doen, de kleine heiligen in de wereld, zoals zuster Immaculata bijvoorbeeld die, zoals Gerard Reve opmerkte “al vierendertig jaar verlamde oude mensen wast, in bed verschoont en eten voert”. Of denk aan die zeldzame momenten dat iemand op je weg komt die precies de woorden zegt waarnaar je onbewust zat te hunkeren alsof je erop zat te wachten, balsem voor je ziel.

Maar wat de een het werk van de Geest noemt, noemt een ander ziekelijke neiging tot zelfbevestiging, demagogie, gewoon toeval of dronkemanspraat. Dat laatste werd de volgelingen van Jezus ook al voor de voeten geworpen: 'Ze hebben te veel zoete wijn gehad!' Over het hoe en wat van de Heilige Geest valt te twisten. Het ligt er maar aan met wat voor ogen je de wereld bekijkt.

Zo'n tweeduizend jaar geleden is het dat een groepje vissers en volksvrouwen het heilige vuur ontving en boven zichzelf uitsteeg. Een van hen, Petrus, houdt zijn eerste preek over de opstanding van Jezus en is zo aanstekelijk dat drieduizend zielen zich bij hen aansluiten: de kerk was geboren. En zoals kringen zich verbreiden in een vijver nadat er een steen in geworpen is, zo verbreidt het evangelie zich over de landen, eerst rond Jeruzalem, later rond Rome, en verder, eeuw na eeuw. En elk jaar wordt de verjaardag van de kerk gevierd en de komst van de Heilige Geest herdacht, die als de wind is, van wie niemand weet waar hij vandaan komt of heengaat maar die volgens sommigen nog altijd waait waarheen Hij wil.