Het leven achter de mezoeza's

RUTH ELLEN GRUBER: Jewish Heritage Travel. A Guide to East-Central Europe

277 blz., geïll., John Wiley & Sons (1992) 1994, ƒ 33,60

RUTH ELLEN GRUBER: Upon the Doorposts of Thy House. Jewish Life in East-Central Europe, Yesterday and Today

288 blz., geïll., John Wiley & Sons 1994, ƒ 49,15

Enkele jaren na de oorlog, ik zal een jaar of zes zijn geweest, bracht ons gezin de zomervakantie door in een pension in de Achterhoek. In mijn herinnering was het een groot, mooi gelegen huis, met uitzicht op een middeleeuwse burcht die tussen het groen verscholen lag. Heel wat anders dan wat we gewend waren op onze bovenverdieping in de grote stad. Het was een prachtige zomer, dagelijks maakten we lange, uitputtende wandelingen in de heuvelachtige omgeving. Het zou een zorgeloze vakantie zijn geweest als de pensionhouder mijn ouders niet, direct bij het begin van ons verblijf, had gewezen op een curiositeit van het huis: in de deurposten bevonden zich hier en daar kleine in het hout uitgespaarde ruimtes waarin twee rolletjes bevestigd waren die een zacht piepend geluid maakten als je ze liet draaien. In dit huis hadden namelijk, zo legde de pensionhouder gewillig uit, voor de oorlog joden gewoond, en die rolletjes zijn een soort miniatuuruitgave van de Torah, de joodse bijbel.

De menigte van vragen die de pensionhouder hiermee had opgeworpen kon maar moeilijk worden beantwoord, maar één ding was duidelijk: de vroegere bewoners waren er niet meer en zouden ook nooit meer terugkomen. De rolletjes in de deurposten waren overbodig geworden.

De gevolgen van de Tweede Wereldoorlog zag ik dagelijks om mij heen in de grote stad waar ik woonde: uitgestrekte, met onkruid begroeide vlaktes, waar ooit huizen hadden gestaan en nog steeds brokstukken lagen van het puin. Maar in mijn leven was dit de eerste keer dat ik op een heel directe, ja tastbare manier een vermoeden kreeg van de gevolgen van de Shoah, die indertijd nog tamelijk verhullend 'de jodenvervolging' heette. De rolletjes in het huis in de Achterhoek werden nooit meer aangeraakt, begreep ik. Elke keer dat ik de deur passeerde liet ik ze hun zacht-piepende geluid maken.

Tapijthallen

Nu woon ik al weer enige jaren in Praag en passeer ik vaak de voormalige synagoge in Smíchov, een verwaarloosd, vuil-betonnen functionalistisch bouwwerk, dat helemaal in het niet verzinkt bij het in de jaren zestig er klakkeloos tegenaan gebouwde metrostation Moskevská, dat na 1989 werd omgedoopt in Andel (engel). Hier bevangt mij eenzelfde beschaamd gevoel als indertijd in het huis in de Achterhoek, waar wij ons, zonder dat we daar iets aan konden doen, te veel voelden, als indringers die getuige waren van een ritueel dat niet voor ons was bestemd. Op dezelfde manier vraag ik mij nu af waarom die mensen hier in Smíchov, vlak naast het voorportaal van een gebedshuis, zo hinderlijk gedachteloos walmende knakworsten staan te eten. De synagoge in Smíchov staat leeg. Het is één van die duizenden joodse monumenten in Midden- en Oost-Europa die niet meer kunnen worden gebruikt omdat er geen gebruikers meer zijn. Veel van de glas-in-loodramen zijn ingegooid en niemand slaat meer acht op de beroete tekst in het Tsjechisch en Hebreeuws die de toegangshal siert: Vrede en welzijn voor ver en nabij.

Ruth Gruber, een Amerikaans-joodse journaliste, die jarenlang correspondent is geweest in Belgrado, Warschau en Wenen en tegenwoordig in de buurt van Rome woont, heeft de gigantische taak op zich genomen om wat zij noemt de symbolische mezoeza's (zo heetten de perkamenten rolletjes met een fragment uit het Oude Testament die in een busje aan de deurpost waren bevestigd, bij vrome joden) in Midden- en Oost-Europa op te sporen, in kaart te brengen en te beschrijven. Meestal betreft het verlaten en in verval geraakte synagoges, gebedshuizen of rituele baden die nu gebruikt worden als meubelopslagplaatsen, tapijthallen of sportzalen, en joodse begraafplaatsen, die niemand meer als zodanig herkent doordat ze door onkruid zijn overwoekerd, door nieuwe bebouwing aan het gezicht zijn onttrokken of eenvoudig weggewalst.

Het eerste van de hier genoemde boeken is een soort Michelingids voor iedereen die geïnteresseerd is in de eens zo bloeiende joodse cultuur in Midden- en Oost-Europa. Aan de hand van Grubers speurtochten en ontdekkingsreizen, vaak het resultaat van moeizame en deprimerende onderzoekingen, ontstaat een rijk geschakeerd beeld van wat voor altijd is verloren, maar waarvan die bijna uitgewiste sporen des te welsprekender, want dramatischer, zijn.

In Jewish Heritage Travel, dat per land - van Polen in het noorden tot Bulgarije in het zuiden - en per plaats een overzicht geeft van wat er aan interessant joods erfgoed is te vinden, waarschuwt de schrijfster de toerist voor al te hooggespannen verwachtingen: “Probeer niet de tegenwoordige generatie de schuld te geven voor de staat van verwaarlozing waarin u joodse monumenten aantreft. Helaas zult u om u heen ook veel niet-joodse historische gebouwen in een abominabele toestand vinden, dank zij oorlogsschade en meer dan veertig jaar verwaarlozing door communistische autoriteiten.”

Een van de grote verdiensten van Jewish Heritage Travel is de enorme schat aan historische informatie die de lezer en passant krijgt aangereikt: in levendig, soms bijna laconiek proza schildert de schrijfster de meest relevante sociale en economische wetenswaardigheden over de plaatsen die ze heeft bezocht. Daardoor krijgt dit brede panorama van vindplaatsen van het vroegere joodse leven in Midden- en Oost-Europa een verrassende extra dimensie.

De aanpak in Upon the Doorposts of Thy House is in zoverre verschillend dat Gruber, uitgaande van veelal hetzelfde feitenmateriaal dat ze voor de reisgids had verzameld, bepaalde onderwerpen nog diepgaander behandelt en in een beschouwender stijl. Als een archeologe reconstrueert ze bijvoorbeeld het leven en de werkzaamheid van de in Hongarije geboren architect Lipót Baumhorn, die tussen 1888 en 1931 meer dan twintig synagoges heeft ontworpen. Hij was geen bijzondere architect, zegt Gruber, maar zijn ontwerpen, waarin een overdaad aan stijlen en stilistische vondsten zijn verwerkt, vormen een karakteristieke weerspiegeling van het zelfbewuste optimisme dat Hongaarse joden - of 'Hongaren van de joodse geloofsovertuiging', zoals ze zich vaak omschreven - omstreeks de eeuwwisseling aan de dag legden.

Wasserette

Op haar zoektocht stuit Gruber op de meest onverwachte mensen, aardige en minder aardige, en ze geeft een plastische beschrijving van alle avonturen die ze onderweg beleeft. Zoals van het bezoek aan Uhríneves, een dorpje aan de uiterste oostrand van Praag, dat sinds de jaren zeventig deel uitmaakt van de hoofdstad. In de synagoge is tegenwoordig een wasserette gevestigd. Met de smoes dat ze geïnteresseerd is in architectuur krijgt Gruber van de eigenares toestemming wat rond te snuffelen en foto's te nemen van het “dampige interieur, van de gootstenen, de fluorescerende lichtornamenten en de solide, industriële wasmachines die tegen elkaar stonden opeengepakt onder het hoge gewelfde plafond. Alleen de gewelven en de eenvoudige versiering in het pleisterwerk, en alleen de vorm van het gebouw, met de bovengalerij waar eens de vrouwen zaten, getuigden nog van zijn vroegere bestemming”. De plaatselijke joodse begraafplaats vindt Gruber met veel moeite, maar de toestand daar is zo desolaat dat ze ervan afziet nog verder naar grafstenen te zoeken. Ze vergelijkt wat ze heeft aangetroffen met wat een boek over joodse gemeenschappen in Bohemen over de plaats laat zien: portretten van “zelfverzekerde, ernstige burgers, allen sobere en er welvarend uitziende mannen in donkere pakken, gesteven boorden en stropdassen”.

Min of meer bij toeval - een sneeuwstorm maakte verder rijden onmogelijk toen ze er in de buurt was - belandt Ruth Gruber in Auschwitz. Eigenlijk was ze niet van plan over de Holocaust te schrijven, maar de sneeuw houdt haar vier volle dagen vast in een door de katholieke kerk bestuurd ontmoetings- en gastencentrum tegenover het kamp. Op zoek naar materiaal over de vroegere joodse gemeenschap in Oswiecim - de Poolse plaats die het kamp zijn gruwelijke Duitse naam heeft gegeven - wendt ze zich tot de beheerder van het stadsarchief, dat zich direct naast Blok I van het kamp bevindt. Daar speelt zich de volgende, typerende scène af:

“Ik vroeg hem (de bibliothecaris) of ik boeken en documenten kon inzien. De man verdween naar een achterkamer en kwam terug. 'Heeft u een machtiging uit Warschau?' vroeg hij. Ik stond perplex. Nee, waarom? zei ik. Waarom zou ik een brief uit Warschau nodig hebben om plaatselijk archiefmateriaal te raadplegen?

Hij was onvermurwbaar. 'Dan is het onmogelijk', zei hij. 'Zonder een machtigingsbrief van het staatsarchief kunt u hier geen documenten bekijken, omdat u geen Poolse burger bent'.

Ik probeerde me te beheersen, maar merkte dat mijn handen begonnen te trillen en de beklemming in mijn borst ondraaglijk werd.

'Komen hier veel mensen om onderzoek te doen?' vroeg ik maar.

'Nee, heel weinig. Maar u moet naar dit adres in Warschau schrijven om toestemming te krijgen'.

'Wat is dat hier, geheime inlichtingen? Alleen voor Polen?' Ik kon bijna niet meer ademen en mijn hart ging te keer in mijn borst. Een plotselinge druk stampte door mijn hoofd. Ik pakte mijn notitieblok om precies op te schrijven wat hij zei, maar ik trilde zo dat ik bijna niet kon schrijven.

'Ja', antwoordde hij minzaam. 'Het is geheime Poolse informatie. Ik zou niet weten wat voor inlichtingen we hier kunnen geven aan iemand die geen Poolse staatsburger is'.''

Dit incident illustreert op huiveringwekkende wijze de kennelijk moeilijk te onderdrukken neiging van Poolse autoriteiten om het lijden in de concentratiekampen te 'poloniseren' en daarmee impliciet de omvang van het joodse lijden te bagatelliseren.

Drijfveren

Vooral de gesprekken die Ruth Gruber aan het slot van haar gedwongen verblijf in het katholieke ontmoetingscentrum heeft, met een Israelische studente en een Poolse student, maken veel duidelijk over de drijfveren die haar tot het schrijven van dit boek hebben gebracht.

Teleurgesteld over de zeer afwijzende houding van de Israelische, die geneigd is alle Polen over dezelfde antisemitische kam te scheren, overweegt ze: “Het meeste van mijn onderzoek en van wat ik de laatste jaren heb geschreven had te maken met de joodse geschiedenis in Oost- en Midden-Europa - niet met de Holocaust, maar met wat er was vóór de Holocaust en wat door de Holocaust is weggevaagd. Ik was me ervan bewust dat, wanneer mensen vandaag denken aan joden en aan dit deel van de wereld, zij in de eerste plaats denken in termen van hun vernietiging. Ik kreeg steeds meer het gevoel dat er dringend behoefte bestaat aan het verbreden van het bewustzijn van de joodse geschiedenis. De miljoenen die in de Holocaust zijn vermoord, moeten nooit worden vergeten, maar dat geldt evenzeer voor de joodse beschaving die daarvóór bestond.”

De laatste scène van het boek dramatiseert de identiteitsproblemen waarmee joden na de Holocaust kampen misschien wel het duidelijkst. Dat is wanneer drie joden, met een totaal verschillende achtergrond, bij elkaar aan tafel zitten: de schrijfster, zelf een na de oorlog in de Verenigde Staten geboren niet-religieuze joodse, wier grootvader eerder deze eeuw uit Roemenië is geëmigreerd; de leidster van het ontmoetingscentrum, een Amerikaanse, tot het katholicisme bekeerde joodse die zich in de eerste plaats Poolse voelt, en Steve, een jonge Amerikaan die er heel 'Arisch' uitziet, maar zich joods voelt omdat zijn moeder joods is. “We waren zo verschillend in houding, ervaring en zelfbewustzijn, maar we leken ook zo op elkaar wat betreft onze Oosteuropese joodse oorsprong. Vijftig jaar geleden zou het allemaal geen verschil hebben gemaakt; toen zouden we alle drie aan de andere kant van het hek hebben gezeten.”