Het belang van het kind

Zodra het in discussies gaat over kinderen willen beleidsmakers, beslissers en adviseurs zich van hun beste, en vooral belangeloze, kant laten zien en daarvoor gebruiken ze dan de standaard zegswijze dat “het gaat om het belang van het kind”. Het is een mooie gewoonte, waarvan onlangs ongeveer binnen een week tijd een paar sprekende voorbeelden te vinden waren in de media. Ik citeer ze uit het weekblad HP/de Tijd van 5 mei.

Een arts, die meedeelt dat men in een bepaald ziekenhuis is gestopt met kunstmatige bevruchting van alleenstaande vrouwen, geeft als toelichting: “Waar vroeger de wil van de vrouw voorop stond (...) wordt de laatste jaren steeds meer nadruk gelegd op het belang van het kind.” Een rechter, die besluit dat een alleenstaande vrouw het Braziliaanse meisje voor wie zij al enige jaren zorgt mag adopteren, onderbouwt de uitspraak met de redenering dat het in het belang van het kind is de bestaande toestand te continueren. Een psycholoog, die als beleidsadviseur de ontwikkelingen rond kunstmatige bevruchting en adoptie nauwlettend volgt, vindt dat het in het belang van het kind is dat anoniem donorschap niet wordt toegestaan en ook bij adoptie “moet het belang van het kind voorop staan, niet het belang van de ouder”.

Natuurlijk hebben zij alledrie het beste met de kinderen voor, maar hoe weten zij zo zeker waar het kinderlijk belang ligt? Daarover zijn geen categorale uitspraken te doen, ook niet met een beroep op de kinderpsychologie. Hooguit als het gaat over extreem goede of uiterst slechte gezinscondities, maar niet in dat grote tussengebied waar de meeste gezinnen zich bevinden. Daar kan men alleen van geval tot geval afwegen wat het beste - en soms alleen het minst slechte - is voor een kind. De rechter is de enige van de drie die zich met een individueel geval heeft beziggehouden en heeft dus recht van spreken (al kan hij bij de afwegingen natuurlijk inzichtsfouten hebben gemaakt wat betreft omstandigheden in dit specifieke geval).

Wat in de uitspraken van de arts en de psycholoog verder opvalt is dat hetzij 'de wil van de vrouw', hetzij 'het belang van de ouder' door hen terzijde wordt geschoven als het gaat om de vraag of een kind verwekt, dan wel geadopteerd mag worden. Men hoort dat wel vaker: de vragers om ouderschap zouden niet zo egocentrisch moeten zijn, maar - ja ook zij - zouden aan het belang van het door hen gewenste kind moeten denken. Maar worden er ooit kinderen geboren die omwille van henzelf zijn verwekt? Bij het grootste deel van de wereldbevolking komen ze uit onwetendheid tot stand. Bij het kleinste deel uit een uiterst privé-verlangen: omdat de man en/of vrouw dat graag wil. De kinderwens is bij iedereen die hem in zich voelt en wil realiseren een puur egocentrische wens. Wat dat betreft mag men eerlijkheidshalve van degenen die bij die realisatie hulp van buitenaf nodig hebben geen algemeen geldende, hogere motieven eisen.

Wel kan men in een specifiek geval uiteraard weer de afweging maken of het eventuele kind niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ernstige schade zal oplopen, en op grond daarvan hulp weigeren. Zo zou ik me kunnen voorstellen dat artsen niet willen meewerken aan een kunstmatige bevruchting waar een lesbische vrouw alleen maar om vraagt uit een diepe afkeer van welke man dan ook. Een afkeer die zelfs onoverkomelijk is als het gaat om een vurige kinderwens. Maar als het louter een medische reden is waardoor zij langs natuurlijke weg niet kan worden bevrucht, ligt dat naar mijn idee niet anders dan bij een heteroseksuele vrouw.

Net zo min als men algemeen geldende uitspraken kan doen over het belang van het kind zonder open deuren in te trappen, kan men dat doen over 'het beste gezin'. Gezinnen worden door mensen gemaakt. Wie zich medeverantwoordelijk voelt voor het kunstmatig verwekken van een kind, of voor het toewijzen van adoptie zou in de eerste plaats naar die mensen moeten kijken - een beetje evenwichtig?, een beetje aardig?, een beetje kindgericht?, daar kom je als kind al een heel eind mee - en veel minder naar de gezinsvorm. En in de tweede plaats zou zo iemand moeten kijken naar wat tegenwoordig de gezinsecologie wordt genoemd: de invloeden die van buiten op het gezin inwerken. Een kinderloos echtpaar in een buurt vol jonge gezinnen is inderdaad te prefereren boven een sociaal geïsoleerde alleenstaande vrouw. Maar bij een al dan niet lesbische alleenstaande vrouw die deel uitmaakt van een warm familienetwerk in de buurt, is een kind weer beter af dan bij een ouderpaar dat zich afsluit van de rest van de wereld.

“Maar”, zo was een vraag die me kortgeleden tijdens een interview werd voorgelegd, “als je nu een heteropaar en een homopaar hebt, die wat persoonlijkheid en omstandigheden betreft volkomen vergelijkbaar zijn, wat zou u dan bij adoptie beter voor een kind vinden?” Een volstrekt hypothetische situatie, maar als ik moest kiezen, zei ik, dan het heteropaar. De interviewer zei nog net niet: “Aha, betrapt”, maar ik hoorde het hem denken. Mijn keuze zou echter vooral opportunistisch van aard zijn. In een heterogezin krijgt een kind ervaring in het intieme omgaan met zowel een man als een vrouw. Dat is geen noodzaak, maar als het kan, waarom zou je daar dan niet voor kiezen? Een tweede - al even weinig principiële - overweging is, dat het heterogezin nu eenmaal nog steeds de boventoon voert en daarom voor een kind het makkelijkst en normaalst is. Dus opnieuw: het is geen noodzaak, maar als het kan, waarom zou je daar dan niet voor kiezen?

In werkelijkheid gaat het echter niet om zulke vergelijkingen, maar om keuzen tussen verblijf in een kindertehuis en in een gezin; of tussen een tijdelijk pleeggezin en een permanent adoptiegezin; of tussen grootgebracht worden door mensen die dat vanwege hun professie doen of door iemand die dat doet uit een persoonlijke behoefte; of tussen grootgebracht worden door steeds wisselende groepsleiders of door een of twee vaste ouderfiguren. In zulke afwegingsprocessen krijgt het begrip 'het belang van het kind' pas een concrete betekenis.