Groeten uit mooi Krems

ANNE GEVERS: Façades. Oostenrijkers en het oorlogsverleden

265 blz., Het Spinhuis 1995, ƒ 39,75

Krems is een idyllisch stadje onder de rook van Wenen. Gelegen aan de Donau, met een schilderachtige middeleeuwse stadskern, centrum van het beroemde wijnbouwgebied de Wachau, is het een geliefde toeristische trekpleister. Daarnaast heeft Krems de reputatie een 'bruin' verleden te hebben. Dat het deze naam niet geheel ten onrechte kreeg blijkt uit het feit, dat de onlangs wegens Wiederbetätigung tot 15 jaar gevangenisstraf veroordeelde Hans Jörg Schimanek zijn paramilitaire parades bij voorkeur in Krems hield.

In deze provinciestad (24.000 inwoners) heeft de antropologe Anne Gevers onderzoek gedaan naar de beeldvorming over het nationaal-socialistische verleden. Haar verblijf in de stad, dat anderhalf jaar heeft geduurd, heeft het haar mogelijk gemaakt achter de zorgvuldig in stand gehouden façades te kijken. Haar beschrijving van de Kremser wijze van verwerking van het verleden laat zien hoe veel aspecten aan een dergelijk proces te ontdekken vallen, als iemand met de constatering 'alles verdrongen en verzwegen' geen genoegen neemt.

De eerste indruk van de stad bevestigt het algemene beeld: veel schone schijn en de sporen van het gruwelijke verleden zorgvuldig uitgewist. Monumenten zijn volop aanwezig, maar hebben vooral betrekking op de tijd vóór 1945. Het plein en het gerechtshof vertellen niets over hun geschiedenis. Geen gedenkplaat die erop wijst dat hier verzetsstrijders en politieke gevangenen vast zaten en dat drie bewakers voor hun vermeende hulp bij ontsnappingsplannen werden opgehangen. Hun lijken bleven drie dagen en nachten hangen.

De soldatenmonumenten hebben een gemeenschappelijk kenmerk: onduidelijkheid. Zo blijft onvermeld of de herdachte generaal in de Eerste of de Tweede Wereldoorlog vocht, wanneer en waar hij stierf. Alleen de insider kan de boodschap decoderen. De gelijkstelling van soldaten van de keizer met die van Hitler ('Ehrenmal für die Gefallenen beider Weltkriege') is eveneens een veelgebruikte methode om de rol van de Oostenrijkers in de Wehrmacht buiten de discussie te houden.

Ontreddering

Minder zichtbaar maar wel aanwezig zijn gedenkstenen die naar slachtoffers verwijzen. In de beruchte gevangenis van Stein werden op 5 april 1945 bijna 400 gevangenen door de SS en de Volkssturm vermoord. Zij worden eveneens herdacht, maar wel met de uiterste terughoudendheid. Ook zijn een plein en een steegje naar een vermoorde communist vernoemd, maar deze gedenktekens zijn alleen voor ingewijden te herkennen aangezien de naamborden geen uitleg geven. Opvallend is dat elke verwijzing naar wat er met de Kremser joden is gebeurd ontbreekt.

De Kremser ontwikkelingen volgden de landelijke gebeurtenissen op de voet. Direct na 1945 kon er geen sprake zijn van enige, laat staan kritische reflectie op de tijd van het nationaal-socialisme. De honger en de algehele ontreddering vormden voldoende afleiding. De bezetting (bevrijding werd tussen aanhalingstekens gezet) door de geallieerden werd als aangedaan onrecht ervaren. Krems lag in de Russische zone. Dat vergemakkelijkte de vergelijking van Hilter en Stalin: de ene dictatuur had de andere vervangen, de Oostenrijkers waren eens te meer speelbal van de machtigen. De zelfpresentatie als slachtoffer zette onmiddellijk in. Duitsland kreeg de schuld en het kleine Oostenrijk was machteloos geweest. Deze larmoyante houding vormde de basis van het proces van natievorming, dat pas na 1945 goed op gang kwam. Het slachtofferschap werd zelfs deel van het officiële Oostenrijkse zelfbeeld. Een storende factor bij deze beeldvorming waren de werkelijke slachtoffers, de joden. Over hen werd dan ook in alle talen gezwegen.

De Oostenrijkse houding werd door de geallieerden mogelijk gemaakt. Van begin af aan hebben zij Oostenrijk veel minder hard aangepakt dan Duitsland. Het is de vraag of ze het land daarmee een dienst hebben bewezen. Zelfs onder het toeziend oog van de Russische bezettingsmacht konden de Oostenrijkers zich veel veroorloven: eerherstel van de nationaal-socialisten, marginalisering van het verzet, herdenking van oorlogshelden. Oostenrijkse historici spreken over een Wiedergutmachung tegenover de nazi's, al vanaf 1952. Jegens de joodse slachtoffers was men aanzienlijk minder welwillend.

Na het einde van de bezetting in 1955 veranderde het interpretatiekader van de eigen geschiedenis. Tot dan was er sprake geweest van een gelijkstelling van de misdaden van Hitler en Stalin, nu werd alleen nog de nadruk gelegd op de onrechtvaardige behandeling van Oostenrijk na 1945.

Onrechtvaardig waren bijvoorbeeld de zuiveringen. Een ander gevolg van de verkregen vrijheid was de opbloei van oud-strijdersverenigingen (Kameradschaftsbünde) en daarmee een onverbloemde verheerlijking van de 'oude' waarden. Vooral met de woorden trouw en eer werd veel geschermd. Het waren nauwelijks verhulde toespelingen op de SS-leus Unsere Ehre heisst Treue.

Aan het begin van de jaren zestig ontstond een tegenbeweging. Het zwijgen over het Oostenrijkse aandeel aan de nationaal-socialistische misdaden werd doorbroken. Voor het eerste hevige en in alle openheid uitgedragen conflict was een hoogleraar verantwoordelijk. Professor Borodajkewicz, verbonden aan de economische faculteit van de Universiteit van Wenen, verdedigde nationaal-socialistische ideeën in zijn colleges en zijn studenten trokken met kreten als 'Hoch Auschwitz' de aandacht. Dat waren geen incidenten, maar uitwassen van een structureel probleem.

Tot het midden van de jaren zestig waren de universiteiten bolwerken van 'nationale' studenten. Tijdens de door de socialistische studentenbond georganiseerde demonstratie in maart 1965 werd de 67-jarige communist en concentratiekamp-overlevende Ernst Kirchweger door een aanhanger van de nazi-professor doodgeslagen. Oostenrijk had dus zijn universitaire rellen al vóór 1968, want de strijd tegen de 'nationalen' was ook een strijd voor de democratisering van de universiteit. Ook andere onderwerpen werden nu voor het eerst openlijk ter discussie gesteld. Zo problematiseerde de kerk-historica Erika Weinzirl de rol van de katholieke kerk, die het antisemitisme altijd als politiek strijdmiddel had gebruikt.

Jonge Oostenrijkse schrijvers ontwikkelden een geheel eigen genre, de Anti-Heimat-literatuur. Door het conservatieve volksdeel als nestbevuilers verguisd, werden ze door een deel van de jeugd bewonderd. De kritische schrijvers stonden in de traditie van een vlijmscherpe vorm van maatschappijkritiek, die met de dichter Nestroy in de vroege negentiende eeuw begon en met Karl Kraus en Robert Musil een hoogtepunt bereikte. Het nationaal-socialisme bracht deze stroming een zware slag toe. Velen van deze strenge critici waren joods en moesten vluchten of werden vermoord.

Na de oorlog werd de traditie voortgezet door schrijvers als Ilse Aichinger en Hans Weigel. Na 1965 stond een nieuwe generatie klaar om het over te nemen. Bachmann, Bernhard, Turrini en Jelinek zijn inmiddels ver buiten Oostenrijk een begrip.

Relativering

Vanaf het midden van de jaren zeventig werden gedenkjaren afgekondigd, verschenen historische beschouwingen in dagbladen en werd Mauthausen doel van educatieve bezoeken; de televisie presenteerde een documentaire over de jaren direct na 1945 in serie-vorm: Österreich II. Deze nieuwe ontwikkelingen werden gekenmerkt door een zekere relativering van de Oostenrijkse verantwoordelijkheid en door een confrontatie schuwende presentatie. Aan deze geaccepteerde omgang met het verleden kwam door de affaire-Waldheim een definitief einde. Ineens werden in het openbaar antisemitische opmerkingen gemaakt en werd ongegeneerd de schuld bij 'joodse samenzweerders' gelegd. Deze tendens had minder met de persoon Waldheim te maken dan met de manier waarop de moord op de joden en het eigen aandeel daaraan in Oostenrijk altijd was genegeerd. Het antisemitisme was systematisch doodgezwegen, maar was daardoor niet verdwenen; integendeel, het woekerde ondergronds ongestoord voort en kwam nu spontaan naar boven. Ook een ander oud probleem stak de kop op: veel Oostenrijkers beschouwden de afwijzende buitenlandse reacties als onrechtvaardig. Voor hen dreigde Oostenrijk alweer slachtoffer te worden.

Tegelijk werd nu ook de kracht van het kritische potentieel duidelijk. De weerstand tegen Waldheim was aanzienlijk. Acties en demonstraties werden georganiseerd, een stroom van kritische analyses werd over de Oostenrijkers uitgestort. Ook de literaire produktie draaide op volle toeren. Heldenplatz is bij lange na niet het enige stuk dat de problemen op uitermate confronterende wijze presenteerde. Maar deze felle kritiek van binnenuit is niet alleen een zegen voor Oostenrijk. In het buitenland wordt deze vorm van zelfkritiek namelijk zelden erkend als onderdeel van een waardevolle traditie; de aandacht gaat alleen uit naar de beschuldigingen zelf.

Het is de grote verdienste van Anne Gevers dat zij oog had voor deze traditie en niet in dergelijke simplificaties is blijven steken. Het is haar gelukt een facettenrijk en genuanceerd beeld van de Oostenrijkse omgang met het verleden te scheppen en zij biedt de lezer, die ervoor openstaat, inzichten die ver boven de gebruikelijke clichés uitstijgen.

812.940.5 812.354oos